Opbrengsten uit Airbnb voor 70% belast

september 2020

Op 18 september 2020 heeft de Hoge Raad bepaald dat verhuuropbrengsten uit Airbnb voor 70% worden belast voor de inkomstembelasting (in box 1). De overige 30% dient ter dekking van de kosten.

Belanghebbende verhuurt enkele dagen per jaar een tuinhuisje via het platform Airbnb. Het eerste gesteggel gaat over de vraag of dat tuinhuisje onderdeel van de eigen woning is. Terecht stelt de Hoge Raad dat dit het geval is.

Daarna komt de vraag aan de orde of de verhuuropbrengsten zijn belast en zo ja, op welke wijze. De discussie spitst zich vooral toe op de vraag of de opbrengsten uit de verhuur van een gedeelte van de woning (hier een tuinhuisje voor enkele dagen pen jaar) gelijk is met de situatie van de verhuur van de gehele woning voor een aantal weken/maanden. Als dit het geval is, dan wordt 70% van de opbrengst belast in box 1 (artikel 3.111, zevende lid juncto artikel 3.113 Wet IB 2001). De Hoge Raad komt inderdaad tot deze conclusie.

De Hoge Raad baseert zich op de wetgeschiedenis van artikel 3.111, zevende lid Wet IB 2001 (waar wordt gesproken over tijdelijke verhuur). In de parlementaire behandeling is daarover slechts één zin terug te vinden.

(…) regelt dat een woning die door de belastingplichtige tijdelijk aan derden ter beschikking is gesteld, bijvoorbeeld tijdens een vakantie, toch als eigen woning voor de belastingplichtige wordt aangemerkt door aan die woning het karakter van hoofdverblijf gedurende die periode niet te ontnemen.

Het voorbeeld ziet alleen op situaties van verhuur van de hele woning en niet op een deel van de woning. Daardoor lijkt het zevende lid alleen op verhuur van de hele woning te slaan.

Opbouw Wet IB 2001
Uitgangspunt van de Wet IB 2001 is dat inkomsten uit wonen worden gedefinieerd in artikel 3.110 en 3.112 Wet IB 2001. Daarnaast is er een verbijzonderingen voor de situatie van ‘tijdelijke verhuur van de gehele woning’.

Het eigenwoningforfait uit artikel 3.112 Wet IB 2001 is een netto forfait. De wetgever heeft bij de invoering van de Wet IB 1964 de (eigen) woning als een bron van inkomen gedefinieerd door de opbrengst van alle inkomsten uit de woning, via een bruto percentage vast te stellen. Dit percentage wordt verminderd met de kosten als onderhoud, verzekeringen, afschrijving, e.d. Hierdoor ontstaat het netto percentage. Dit netto percentage (2020: 0,60%) is gekoppeld aan de WOZ-waarde. Zo wordt het eigenwoningforfait berekend.

De wetgever heeft alle voordelen willen meenemen in het bruto percentage. Zo was er, onder de wet IB 1964, geen mogelijkheid de forfaitaire regeling te omzeilen door een tijdelijke terbeschikkingstelling van de eigen woning aan derden (lees verhuur), met als doel toch onderhoudskosten in aftrek te brengen (Kamerstukken II, 1970-1971, 10 790, nr. 7 t/m 9).

Dat betekent dat de inkomsten uit de eigen woning meer kunnen zijn dan alleen het woongenot van de eigen woning. Alle opbrengsten en kosten zijn dus al verrekend in het eigenwoningforfait en er is daardoor geen ruimte meer om andere opbrengsten te belasten. De enige uitzondering is het zevende lid, dat gaat over de tijdelijke verhuur. De Hoge Raad concludeert op basis van de wettekst en de wetsgeschiedenis dat gedeeltelijke verhuur gelijk moet worden gesteld aan gehele verhuur. Ik deel die mening niet. Enerzijds omdat te makkelijk is gesteld dat gedeeltelijk verhuur gelijk is aan gehele verhuur. Deze conclusie lijkt mij in strijd met de parlementaire behandeling.

Anderzijds omdat er een dubbele heffing dreigt. De 70% die nu wordt belast is eigenlijk ook al belast via het eigenwoningforfait.

Hoewel de uitkomst niet helemaal onredelijk is, valt er nog dus wel wat over te zeggen.

Tenslotte
Nu rijst nog wel de vraag wat te doen met andere soorten opbrengsten uit de woning die niet uit (tijdelijke) verhuur komen? Zijn die dan ook voor 70% in box 1 belast? Er zijn verschillende situaties waar de Hoge Raad concludeert dat de huuropbrengst is meegenomen in het (toenmalige) huurwaardeforfait. Er kon dus geen opbrengst worden belast. Hetzelfde geldt voor eigenwoningbezitter die de leges voor een reclamebord aan de eigen gevel onbelast kan ontvangen (hof Amsterdam 29 maart 1993, nr. 91/0379, BNB 1995/65). Zijn deze inkomsten dan ook ineens voor 70% belast? Die kant zou ik niet op willen gaan.