Zeer regelmatig komt de Belastingdienst met standpunten. Aan deze standpunten moet de Belasting zichzelf houden. Als een adviseur daar een andere visie over heeft, is het heel goed mogelijk ze aan de rechter voor te leggen. In deze bijdrage vat ik een aantal standpunten in IB-winstsfeer samen en geef aandachtspunten voor de adviseur.
VfP 2026/3
Standpunten gerelateerd aan winst uit onderneming
Is een vlogger IB-ondernemer?
Casus
Een vlogger verzorgt een uitzending op een social mediakanaal. Tijdens de uitzending roept de vlogger op om te doneren. Dat doneren kan via de website die bij de uitzending hoort. Voor de donatie krijgt de donateur soms een tegenprestatie. De donaties gaan via het platform zelf of via een afzonderlijk betalingsplatform zoals Backme, Petje.af, PayPal of Patreon. Het betalingsplatform houdt een bemiddelingsfee in en betaalt de rest door aan de vlogger.
Samengevat gaat het dus om mensen en organisaties die content aanbieden in de digitale wereld en via een donatiemodel geld inzamelen. De ontvangen bedragen kunnen in de praktijk behoorlijk oplopen. Is in dit soort situaties sprake van een bron van inkomen en zo ja, welke?
Standpunt belastingdienst[1]
Wanneer werkzaamheden worden verricht die zijn gericht op het behalen van een geldelijk voordeel of als dit voordeel redelijkerwijs te verwachten is, is sprake van een bron van inkomen en zijn de inkomsten aan belastingheffing onderworpen. In dat geval moet nader worden beoordeeld of sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden.
Wanneer met de activiteiten, die niet gericht zijn op de huiselijke kring, zodanige opbrengsten worden verkregen dat deze de kosten naar reële verwachting overtreffen, is sprake van een bron van inkomen en is belastingheffing in box 1 aan de orde. Er kan sprake zijn van winst uit onderneming dan wel resultaat uit overige werkzaamheden. Als er sprake is van een bron van inkomen komen de donaties op in de zakelijke sfeer.
Aandachtspunten voor de adviseur
De beoordeling of sprake is van een bron van inkomen is uitsluitend gebaseerd op jurisprudentie en dat kan lastig zijn. Daarnaast is beoordeling van de bron ook afhankelijk van de feiten en omstandigheden.
Een resultaat (positief of negatief) kan alleen inkomen zijn als er een bepaalde bron aan ten grondslag ligt. Bij bronnen met arbeid moet aan de volgende drie voorwaarden worden voldaan om te kunnen spreken van een bron van inkomen:
- deelname aan het economische verkeer
- het (subjectieve) oogmerk voordeel te behalen
- de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs kan worden behaald.
Als eenmaal vaststaat dat sprake is van een bron, moet vervolgens worden vastgesteld of sprake is van winst uit onderneming of resultaat uit overige werkzaamheden. [2]
In de voorgelegde casus gaat het om opbrengsten die worden verkregen doordat mensen de content op sociale media bekijken en daarbij expliciet worden uitgenodigd om bedragen te betalen. De betalingen vinden onder meer specifiek plaats als dank voor de content, om te abonneren en/of bij voorrang of exclusief nieuwe content te ontvangen en om de creatie van nieuwe content mogelijk te maken. Er kan dus uitsluitend een bron van inkomen zijn als de donaties er zijn. Op het moment dat vaststaat dat sprake is van een bron van inkomen, zijn de donaties daarom (na aftrek van de kosten) belast.[3]
Doorgeschoven voortgezet ondernemerschap en geruisloze omzetting
Casus
In 2018 participeert X in een vennootschap onder firma (hierna: vof) en kwalificeert hiermee als ondernemer op grond van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). In 2020 wijzigt het samenwerkingsverband van een vof naar een commanditaire vennootschap (hierna: cv). X is vanaf dat moment commanditaire vennoot en kwalificeert als medegerechtigde op grond van artikel 3.3 Wet IB 2001. In 2022 draagt X zijn aandeel in de cv over aan Y, een werknemer van het samenwerkingsverband. Bij de overdracht wordt gebruik gemaakt van de geruisloze doorschuiving van artikel 3.63 Wet IB 2001. Voormalig werknemer Y wordt commanditaire vennoot en kwalificeert als medegerechtigde op grond van artikel 3.3 Wet IB 2001. In 2024 wenst Y haar commanditaire aandeel in de cv in te brengen in een besloten vennootschap (hierna: bv).
Kan de inbreng van het commanditaire aandeel van Y plaatsvinden met toepassing van de geruisloze doorschuiffaciliteit van artikel 3.65 Wet IB 2001?
Standpunt belastingdienst[4]
Nee, Y is medegerechtigde en deze medegerechtigdheid vloeit niet voort uit een rechtstreekse voortzetting als ondernemer. Als sprake is van een doorgeschoven voortgezet ondernemerschap kan de geruisloze omzetting van artikel 3.65 Wet IB 2001 niet toegepast worden.
Aandachtspunten voor de adviseur
In de parlementaire geschiedenis van de inwerkingtreding van de Wet IB 2001, is besloten om medegerechtigden onder te brengen in box I en te kwalificeren als winstgenieters. De wetgever verleent medegerechtigden derhalve toegang tot ondernemingsfaciliteiten die investeringsgerelateerd zijn, zoals de willekeurige afschrijving en de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Ondernemersfaciliteiten, zoals de zelfstandigenaftrek en oudedagsreserve, staan echter niet open voor medegerechtigden.
De geruisloze omzettingsfaciliteit is slechts bij een voortgezet ondernemerschap toegankelijk voor medegerechtigden. In de parlementaire behandeling wordt expliciet benoemd:
“De wijziging bewerkstelligt dat deze personen hun onderneming slechts geruisloos kunnen inbrengen in een vennootschap indien de medegerechtigdheid van de overdrager de rechtstreekse voortzetting vormt van zijn ondernemerschap met betrekking tot die onderneming.”
Hieruit blijkt dat medegerechtigheid een directe voortzetting dient te vormen van het ondernemerschap zodat een doorgeschoven voortgezet ondernemerschap niet kwalificeert.
[1] Standpunt Belastingdienst Donaties als bron van inkomen , 18 augustus 2025, KG:059:2025:1.
[2] Deze situatie doet zich voor bij een influencer: Standpunt Belastingdienst 2 Influencer, 16 december 2025, KG:213:2025:1.
[3] Zie voor een uitgebreide beschouwing over de vraag of er sprake is van IB-ondernemerschap en zo ja, welke bron, mijn bijdrage: Wel of geen fiscaal ondernemerschap, ‘ VfP 2023/7/8, blz. 13-17.
[4] Standpunt Belastingdienst, Doorgeschoven voortgezet ondernemerschap en geruisloze omzetting, 14 augustus 2025, KG:212:2025:4.
Standpunten gerelateerd aan toekomstvoorzieningen
Wettelijke verdeling en de fiscale gevolgen voor de lijfrenterekening
Casus
De rekeninghouder van een lijfrenterekening overlijdt. Hij was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk van de erflater en zijn partner (hierna: de langstlevende echtgenoot) zijn enkele kinderen geboren. In zijn testament heeft de erflater de wettelijke verdeling (artikel 4.13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) van toepassing verklaard. De langstlevende echtgenoot maakt geen gebruik van de ongedaanmakingsbevoegdheid (artikel 4.18 BW). Alle erfgenamen (langstlevende echtgenoot en de kinderen) aanvaarden de nalatenschap zuiver. Er bestaat onduidelijkheid over hoe de wettelijke verdeling fiscaal uitwerkt in de situatie van een lijfrenterekening. Daarnaast speelt de vraag aan welke voorwaarden een nabestaandenlijfrente moet voldoen in de situatie dat het overlijden van de rekeninghouder heeft plaatsgevonden voordat de termijnen zijn ingegaan.
- Komt in deze situatie de gehele waarde van de lijfrenterekening toe aan de langstlevende echtgenoot?
- Aan welke voorwaarden moet de nabestaandenlijfrente voldoen in de situatie dat het overlijden van de rekeninghouder heeft plaatsgevonden, voordat de termijnen zijn ingegaan (lijfrenterekening in de opbouwfase)?
Standpunt belastingdienst[1]
- Ja. Aan de langstlevende echtgenoot komt de helft van de waarde van de lijfrenterekening toe op grond van het huwelijksvermogensrecht. De andere helft van de waarde van de lijfrenterekening (deze vererft in de nalatenschap van de overleden rekeninghouder) verkrijgt de langstlevende echtgenoot van rechtswege op grond van de regels van de wettelijke verdeling.
- Zoals aangegeven bij antwoord 1 beschikt de langstlevende echtgenoot na het overlijden over de volledige waarde van de lijfrenterekening. Bij een lijfrenterekening in de opbouwfase moet voor de volledige waarde een nabestaandenlijfrente worden bedongen, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).
Aandachtspunten adviseur
De wettelijke verdeling houdt in dat de langstlevende echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap verkrijgt onder de verplichting om de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen (artikel 4:13, tweede lid, BW). De kinderen krijgen een niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot ter grootte van hun erfdeel dat eerst opeisbaar is in de situaties die zijn opgenomen in artikel 4:13, derde lid, BW.
De lijfrenterekening valt in de nalatenschap van de overledene. In geval van een huwelijksgemeenschap betekent dit dat in beginsel de helft van de lijfrenterekening aan de langstlevende echtgenoot toekomt op grond van het huwelijksvermogensrecht (artikel 1:94 BW). De andere helft van de lijfrenterekening valt in de nalatenschap waarop de regels van de wettelijke verdeling van toepassing zijn.
De gehele lijfrenterekening komt dus per saldo toe aan de langstlevende echtgenoot.
De aard van de lijfrenterekening brengt met zich mee dat het opgebouwde lijfrentekapitaal moet worden gebruikt voor uitkeringen voor de oude dag of voor uitkeringen na het overlijden van de rekeninghouder. Als een rekeninghouder overlijdt, moet de volledige waarde worden aangewend voor een direct ingaande nabestaandenlijfrente (artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001).
Dit betekent dat in deze situatie de langstlevende echtgenoot bij een lijfrenterekening in de opbouwfase een nabestaandenlijfrente moet bedingen. Die nabestaandenlijfrente moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 5°, Wet IB 2001. De periode tussen de eerste en laatste termijn moet minimaal vijf jaar bedragen, verminderd met het aantal jaren dat de leeftijd van de echtgenoot op het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn hoger is dan de leeftijd die vijftien jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.
Pensioen APK-gesprek
Casus
Als een werkgever in aanvulling op de keuzebegeleiding van de pensioenuitvoerder de kosten van een persoonlijk pensioenadvies voor zijn rekening neemt, is sprake van (belast) loon voor de werknemer.[2]
Een werkgever besluit voor zijn werknemers een zogenoemd pensioen APK-gesprek te verzorgen; een vrijwillig persoonlijk (1-op-1) pensioenadviesgesprek om meer grip te krijgen op de financiële toekomst.
Is het pensioen APK-gesprek te kwalificeren als een (belast) persoonlijk pensioenadvies?
Standpunt belastingdienst[3]
Ja, als sprake is van een gesprek dat keuzebegeleiding overstijgt.
Aandachtspunten adviseur
In de praktijk is het gebruikelijk een pensioen APK-gesprek – een vrijwillig persoonlijk (1-op-1) pensioenadviesgesprek – aan te bieden aan werknemers om deze meer grip te kunnen geven op hun financiële toekomst. Het gesprek vormt een wegwijzer; het geeft de werknemers inzicht in hun pensioen en begeleidt de werknemers zo goed mogelijk in hun pensioenkeuzes. De werknemers zijn daarmee in staat om het pensioen beter af te stemmen op hun eigen wensen en verwachtingen. Een werknemer krijgt met dat gesprek antwoorden op vragen zoals bijvoorbeeld:
- Wat wordt mijn netto besteedbaar inkomen later?
- Klopt dit met mijn verwachtingen en wensen?
- Welke keuzes kan ik nu of straks maken of zou ik moeten maken voor een hoger netto besteedbaar inkomen, zoals:
- Kan een waardeoverdracht plaatsvinden van de opgebouwde aanspraken naar de huidige regeling?
- Kan een ruil van pensioensoorten plaatsvinden?
- Kan ik variëren met de hoogte en ingangsdatum van mijn pensioen?
- Kan het pensioen eerder of later ingaan?
- Kan ik pensioen afkopen, extra inleggen in een pensioenregeling of in een lijfrente of kan ik beleggen naast mijn pensioenregeling?
- Wat zijn de consequenties als ik doorwerk na mijn AOW?
- Hoe is het pensioen voor nabestaanden geregeld?
Dat gesprek kan inzicht geven in de pensioenregeling en de mogelijke keuzemogelijkheden daarin (keuzebegeleiding), maar ook in de persoonlijke vermogenssituatie in relatie tot de pensioenaanspraken. Tijdens het pensioen APK-gesprek staan meestal de persoonlijke situatie en belangen van de werknemer centraal en kijkt een pensioen- of financieel adviseur naar de financiële wensen en plannen van de werknemer voor nu en later. De werknemer verkrijgt door dit gesprek het benodigde inzicht of zijn/haar financiële planning goed geregeld is of dat daarvoor nog actie noodzakelijk is op financieel gebied (en zo ja, welke) om het gewenste leven voor nu en in de toekomst te kunnen bekostigen.
Als de werkgever besluit een pensioen APK-gesprek te verzorgen voor zijn werknemers met als doel de werknemer te voorzien van een persoonlijk pensioen- of financieel advies, is sprake van “een voordeel in natura voor de werknemer dat fiscaal als loon uit dienstbetrekking kwalificeert”. Om een werknemer tijdens een pensioen APK-gesprek namelijk een passend pensioen- of financieel advies te kunnen geven, is inzicht in de persoonlijke financiële en fiscale situatie van de werknemer nodig. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het in kaart brengen van de wensen van de werknemer en hoe hij deze kan realiseren gelet op zijn totale inkomsten- en uitgavenkant, spaargelden, beleggingen, hypotheeklasten, moment van pensionering van een partner en andere pensioenproducten. In dat geval is geen sprake meer van keuzebegeleiding zoals bedoeld in artikel 48a Pensioenwet. Bij keuzebegeleiding ontbreekt immers het totale inzicht in de persoonlijke en financiële situatie (en wensen) van een werknemer en vindt geen persoonlijk en individueel pensioen- of financieel adviesgesprek plaats.
Fiscaal kan het als volgt worden samengevat:
- De (eventuele) kosten van keuzebegeleiding vormen voor de werkgever zuivere bedrijfskosten die de werknemers geen voordeel opleveren. De werknemers besparen zich geen privéuitgaven bij enkel pensioenvoorlichting. Er is geen sprake van loon uit dienstbetrekking.
- De kosten van een pensioen APK-gesprek voor de werkgever met als doel de werknemer te voorzien van een persoonlijk pensioen- of financieel advies (dat daarmee verder gaat dan keuzebegeleiding) vormen weliswaar ook bedrijfskosten, maar deze bedrijfskosten leveren de werknemers wel een voordeel op dat kwalificeert als loon uit dienstbetrekking. Persoonlijk pensioen- of financieel advies komt immers voor rekening van de werknemer. De werknemer geniet in zoverre loon uit dienstbetrekking. Voorbeelden van persoonlijke pensioen- en financiële adviezen zijn adviezen over:
– de benutting van bijspaarmogelijkheden passend bij gewenst netto besteedbaar inkomen;
– de ingangsdatum van het pensioen gelet op de persoonlijke financiële situatie.
– hypotheken (oversluiten, geheel of gedeeltelijk aflossen etc.);
– mogelijkheden in de derde pijler (lijfrenten);
– arbeidsongeschiktheidsverzekeringen; en,
– beleggen.
[1] Standpunt Belastingdienst 27 juni 2025, Wettelijke verdeling en de fiscale gevolgen voor de lijfrenterekening KG:070:2025:3.
[2] Standpunt Belastingdienst, Persoonlijk pensioenadvies, 3 oktober 2023, KG:204:2023:18.
[3] Standpunt Belastingdienst pensioen APK-gesprek 23 september 2025, KG:204:2025:16.
Standpunten over privé situaties
Reiskosten vrijwilliger voor ANBI en giftenaftrek
Casus
Via een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) neemt een belastingplichtige als begeleider deel aan een evenement inclusief de reis ernaartoe. Het evenement past binnen de doelstellingen van de ANBI. Als begeleider zorgt de belastingplichtige ervoor dat de andere deelnemers (niet zijnde begeleiders) kunnen deelnemen aan het evenement en de bijbehorende reis ernaartoe. De verplichte deelnemersbijdrage voor begeleiders wordt door de belastingplichtige betaald aan de ANBI. Hiermee worden de voorbereiding en organisatie van de reis en de kosten die de ANBI maakt om het evenement te organiseren door de ANBI betaald. De werkzaamheden van een begeleider zijn van dien aard dat er zo goed als geen vrije tijd is.
Kwalificeert de betaalde deelnemersbijdrage van de begeleider als andere gift als bedoeld in artikel 6.35 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?
Standpunt Belastingdienst[1]
Ja, de betaalde deelnemersbijdrage kwalificeert in dit geval als aftrekbare gift als bedoeld in artikel 6.35 Wet IB 2001 voor zover daar geen tegenprestatie tegenover staat. Aangezien in dit geval de belastingplichtige het evenement en bijbehorende reis ernaartoe bijwoont in de hoedanigheid van begeleider, de werkzaamheden van dien aard zijn dat er zo goed als geen vrije tijd is en er alleen kosten zijn gemaakt om het begeleiden mogelijk te maken, is er in deze casus geen sprake van een tegenprestatie die van meer dan bijkomstig belang is. Dit is wellicht anders in de situatie waarin de begeleider wel vrij te besteden tijd heeft tijdens het evenement of zaken ontvangt die niet noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de begeleiding.
Aandachtspunten adviseur
Giften: In artikel 6.33, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 zijn giften gedefinieerd als bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Daarvan is hier sprake.
Deelnemersbijdrage: De vraag is of in deze casus kan worden gesproken van vrijgevigheid. Als de belastingplichtige als begeleider aan het evenement en de bijbehorende reis ernaartoe wil deelnemen, is hij immers verplicht om een deelnemersbijdrage voor begeleiders te betalen. De belastingplichtige kiest hier echter wel vrijwillig voor en is daarom ook uit vrijgevigheid bereid om de deelnemersbijdrage te betalen. In deze casus woont de belastingplichtige het evenement als begeleider, de werkzaamheden zijn van dien aard dat er zo goed als geen vrije tijd is en er alleen kosten zijn gemaakt om het begeleiden mogelijk te maken. Er is dan geen sprake van een tegenprestatie die van meer dan bijkomstig belang is. Daardoor kwalificeert de gehele door de belastingplichtige betaalde deelnemersbijdrage voor een begeleider als andere gift als bedoeld in artikel 6.35 Wet IB 2001. Dit is wellicht anders in de situatie waarin de begeleider wel vrij te besteden tijd heeft tijdens het evenement of zaken ontvangt die niet noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de begeleiding.
Overlijden en bepaling ‘loon over een maand’
Casus
Nadat een werknemer meer dan 52 weken ziek is, kort zijn werkgever per
1 augustus op grond van de cao het salaris van de werknemer tot 70% van zijn bruto (maand)loon. De werknemer overlijdt op 20 augustus. Zijn nabestaanden hebben, op grond van de van toepassing zijnde cao, recht op een overlijdensuitkering.
Op 15 augustus heeft de werkgever aan al zijn werknemers toegezegd dat hun bruto (maand)loon per 1 oktober van dat kalenderjaar zal worden verhoogd.
Is de werkgever verplicht bij het bepalen van het ‘loon over een maand’ bij de vrijstelling voor de eenmalige overlijdensuitkering van artikel 11, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) rekening te houden met de korting naar 70% van het (maand)loon en de toekomstige salarisstijging?
Standpunt Belastingdienst[2]
De werkgever is verplicht bij het bepalen van het loon over een maand rekening te houden met de korting naar 70% van het (maand)loon en de toekomstige salarisstijging.
Aandachtspunt adviseur
Volgens het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:674 lid 2 BW) ben je als werkgever verplicht om minimaal één maand het loon door te betalen van de overleden werknemer. De periode loopt vanaf de dag na het overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden. De uitkering komt ten goede aan de duurzaam samenlevende fiscaal partner en, als deze er niet is, aan de minderjarige kinderen van de werknemer. Soms wijken cao’s of arbeidsvoorwaarden af van deze verplichte uitkering. In dat geval volg je de voorwaarden van de cao of de arbeidsvoorwaarden.
De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel m, Wet LB 1964 is van toepassing op een eenmalige uitkering ter zake van het overlijden van de werknemer voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan driemaal het loon over een maand.
Om het loon over een maand te berekenen wordt in beginsel het overeengekomen vaste bruto jaarloon van de werknemer in het betreffende kalenderjaar bepaald, waarna dit vervolgens wordt gedeeld door twaalf. Het fiscaal al genoten en (mits overeengekomen) nog te genieten loon in het kalenderjaar van overlijden is dus maatgevend.
De werkgever is dus verplicht rekening te houden met zowel de korting naar 70% van het (maand)loon als de latere salarisstijging in het kalenderjaar. Beide loonbestanddelen maken immers onderdeel uit van het overeengekomen vaste bruto jaarloon in het kalenderjaar van overlijden. Het zijn vaste en gegarandeerde beloningen – die zijn overeengekomen vóór het overlijden van de werknemer – waarop de werknemer in hetzelfde kalenderjaar recht heeft.
Voor de bepaling van het loon over een maand in casu geldt dus het volgende:
- Januari tot en met juli 100% bruto (maand)loon.
- Augustus tot en met september 70% van het bruto (maand) loon.
- Oktober tot en met december 70% van verhoogde bruto (maand)loon.
Gouden munten en box 3
Casus
Belastingplichtige houdt ter belegging diverse binnenlandse en buitenlandse gouden munten. Een deel van de gouden munten heeft in de betreffende landen de status van wettig betaalmiddel, maar wordt in de regel niet als zodanig gebruikt. Dit omdat de
Kwalificeren ter belegging gehouden gouden munten onder de box-3 wetgeving met ingang van 1 januari 2023 als contant geld als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?
Standpunt Belastingdienst[3]
De ter belegging gehouden gouden munten kwalificeren niet als contant geld. Deze gouden munten behoren tot de vermogenscategorie ‘overige bezittingen’ voor box 3.
Aandachtspunt adviseur
In de Wet IB 2001 is geen definitie opgenomen van ‘contant geld’. Het woord ‘contant’ duidt op een stoffelijk goed. Giraal geld – waaronder virtuele munten – valt daarom niet onder contant geld. Het woord ‘geld’ houdt in dat het een algemeen aanvaard ruil-/betaalmiddel moet zijn.
- Gouden munten worden in de praktijk zelden tot niet als betaalmiddel gebruikt.
- Gouden munten zijn niet aan te merken als de fysieke evenknie van een banktegoed. Het is immers niet mogelijk om deze gouden munten rechtstreeks te storten op een bankrekening.
- De wetgever bedoelt met contant geld de officiële munteenheid/valuta van een land waarbij de nominale waarde steeds gelijk is aan waarde in het economische verkeer. In het geval van gouden munten in de officiële munteenheid/valuta, geldt dat deze waarde niet gelijk is. De waarde wordt namelijk niet bepaald door de nominale waarde van de munt, maar door de edelmetaalwaarde (intrinsieke waarde) of de numismatische waarde (de muntkundige waarde).
Ter belegging gehouden gouden munten kwalificeren dus niet als contant (artikel 5.2, derde lid, onderdeel c, Wet IB 2001) maar moeten worden gezien als belegging, derhalve zijn dit overige bezittingen voor box 3.
Vrijstelling groene beleggingen en negatief rendement
Casus
Belastingplichtige wil gebruikmaken van de tegenbewijsregeling in box 3, omdat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden in een kalenderjaar lager is dan het op forfaitaire wijze berekende voordeel uit sparen en beleggen. Belastingplichtige bezit onder meer groene beleggingen (groene spaartegoeden en groene beleggingen). In enig jaar heeft belastingplichtige een negatief rendement gemaakt op deze groene beleggingen.
Op welke wijze wordt bij toepassing van de tegenbewijsregeling box 3 een negatief rendement op groene beleggingen in aanmerking genomen?
Standpunt Belastingdienst[4]
Als de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar lager is dan het vrijgestelde bedrag aan groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), dan behoren de groene beleggingen niet tot de bezittingen en kan een negatief werkelijk rendement daarop niet in aanmerking worden genomen bij de tegenbewijsregeling box 3.
Als de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het vrijgestelde bedrag aan groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, Wet IB 2001, dan behoren de groene beleggingen wel tot de bezittingen en kan een negatief werkelijk rendement daarop voor een deel in aanmerking worden genomen bij de tegenbewijsregeling box 3.
Aandachtspunt adviseur
In het standpunt geeft de Belastingdienst het volgende verhelderende voorbeeld.
Een belastingplichtige is alleenstaand en bezit begin 2025 € 30.000 aan groene beleggingen. De vrijstelling groene beleggingen bedraagt in 2025 € 26.312.
De belastingplichtige ontvangt gedurende het jaar 2025 € 1.000 aan dividend op de groene beleggingen die wordt bijgeschreven op zijn rekening voor groene beleggingen. Aan het einde van 2025 zijn de groene beleggingen in totaal € 25.000 waard. Dat betekent dat er in 2025 een regulier voordeel is van € 1.000 en een negatieve vermogensaanwas van € -5.000. In totaal bedraagt het werkelijke rendement op groene beleggingen in 2025 dus € -4.000.
De vrijstelling wordt naar rato toegepast op basis van het bedrag aan groene beleggingen op de peildatum van 1 januari 2025. Dat betekent dat 87,70% (€ 26.312 / € 30.000) van het negatieve werkelijke rendement van de groene beleggingen van € 4.000 is vrijgesteld (= € 3.508). Dat betekent dat een bedrag van € 492 mag worden verrekend met eventueel positief werkelijk rendement op andere bezittingen.
[1] Standpunt Belastingdienst Reiskosten vrijwilliger voor ANBI en giftenaftrek 15 december 2025, KG 202:2025:26.
[2] Standpunt Belastingdienst Bepaling ‘loon over een maand’ 18 november 2025 KG:204:2025:21.
[3] Standpunt Belastingdienst Gouden munten en box 3 7 november 2025, KG:202:2025:22.
[4] Standpunt Belastingdienst Vrijstelling groene beleggingen en negatief rendement 10 september 2025, KG:202:2025:14.
Tenslotte
Zeer regelmatig worden standpunten op elk fiscaal gebied gepubliceerd. Om zo actueel mogelijk te blijven is het mogelijk om je te abonneren op nieuwe berichten. Hiervoor ga je naar https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/. Open ‘Menu’. Onder ‘Nieuws’ is de mogelijkheid om je in te schrijven op de nieuwsberichten per rubriek (inkomstenbelasting, overdrachtsbelasting, schenk- en erfbelasting, enzovoorts).
