Op 20 april 2026 gaf het kabinet Jetten aan flink in te zetten  op het sneller bouwen van meer woningen. Door zowel de vergunningverlening te versnellen, veel meer gebruik te maken van fabrieksmatige bouw van Nederlandse makelij en bestaande gebouwen beter te benutten, worden jaren tijdswinst geboekt. Om gemeenten hierbij te ondersteunen is € 287 miljoen beschikbaar. Dat maakt minister Boekholt-O‘Sullivan van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening bekend bij de aftrap van de Taskforce Versnelling Woningbouw.[1]

VfP 2026/83

Een deel van je eigen woning verhuren

Drs. J.E. van den Berg

De Minister wil ook minder regels en meer deregulering en meer aandacht voor splitsen, optoppen en woningdelen. Ook vakantiewoningen zouden permanent mogen worden bewoond en corporaties moeten meer financiële armslag krijgen.[2]

Deze bijdrage gaat in op de aandachtspunten bij verhuur van een of meerdere kamers in de eigen woning. Zie ook https://www.taxlive.nl/nl/documenten/nieuws/een-deel-van-een-eigen-woning-verhuren-overzicht-van-fiscaal-juridische-gevolgen/

Verhuursituatie in Nederland

Het precieze aantal woningeigenaren dat in Nederland een of meerdere kamers van hun eigen woning verhuurt (hospitaverhuur of kamerverhuur) is niet bekend. De meeste beschikbare statistieken gaan over de totale verdeling tussen koop- en huurwoningen, of over de verhuur door woningcorporaties en professionele verhuurders. Er is geen actuele, landelijke registratie van het aantal particuliere woningeigenaren dat kamers verhuurt, zoals hospitakamers of via platforms als Airbnb of Kamernet.

Wel is bekend dat steeds meer mensen kamerverhuur een goed idee vinden om de krapte op de woningmarkt tegen te gaan. Ook de bereidheid om een kamer of etage in het eigen huis te verhuren neemt sterk toe, zo blijkt uit het ING Woonbericht.[3]

Meer dan de helft van d e ondervraagden (55%) zegt dat kamerverhuur een goede oplossing kan zijn om de krapte op de woningmarkt op te lossen. Een toenemend aantal huiseigenaren is bereid om een deel van hun woning te verhuren: 6%, waar dat in 2018 nog 3% was. De bereidheid om een afgescheiden woonruimte, zoals een tuinhuis of etage met eigen opgang te verhuren is zelfs vervijfvoudigd. In 2018 ging dat om 6%. “Het groeiende draagvlak om een kamer of ruimte te verhuren valt op. Een derde van de huiseigenaren geeft aan daartoe onder voorwaarden bereid te zijn. Dat zal in de praktijk lager liggen, maar zelfs als maar 2% dit echt zou gaan doen staat dit gelijk aan bijna 80.000 extra woonruimtes. Dat is te vergelijken met een jaar bouwproductie,” aldus Wim Flikweert, Manager Wonen bij ING Nederland. “Veertig procent van de respondenten vreest wel dat het gedeeltelijk verhuren van de woning een negatief effect heeft op de waarde van de woning.

Om een of meerdere kamers in de eigen woning te verhuren moet worden voldaan aan een reeks voorwaarden die over verschillende gebieden zijn verdeel. Hierna volgt een overzicht van al deze gebieden, zodat een eigen woningbezitter een eigen keus kan maken om wel of niet te gaan verhuren.

Hospitaverhuur

Bij hospitaverhuur wordt een deel van de eigen woning aan iemand anders verhuurd. Zelf blijf je ook in die woning wonen. Er worden dan voorzieningen met de huurder gedeeld. Denk hierbij aan gemeenschappelijk gebruik van de keuken, toilet en badkamer.

Voorwaarden bij hospitaverhuur

Voor hospitaverhuur gelden verschillende regels en voorwaarden. Zo moet de eigenaar van de woning zelf ook in de woning wonen. Het maakt niet uit of het een koop- of huurwoning is. Ook moet de huurder 18 jaar of ouder zijn. Verder geldt dat huurder en verhuurder:

  • een toegang delen, en vaak ook gemeenschappelijke voorzieningen, zoals keuken, toilet of badkamer;
  • een huurcontract met elkaar hebben afgesloten, waardoor zij een aantoonbaar zakelijke relatie hebben;
  • geen geregistreerd partner van elkaar zijn;
  • allebei op dit adres staan ingeschreven.

Mogelijk gelden er in de betreffende gemeente extra voorwaarden om een kamer te verhuren of huren. Bijvoorbeeld dat er een vergunning nodig is. Veel gemeenten hebben hierover informatie op hun website.

Als wordt voldaan aan de regels van hospitaverhuur heeft de ontvangen huur geen gevolgen n voor:[4]

  • AOW, WIA, Wajong of WW
  • Huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, zorgtoeslag en kindgebondenbudget
  • Algemene Nabestaandenwet.

Juridische aspecten

Juridisch gezien zijn er vele aandachtspunten. De belangrijkste zijn.

  • Huurovereenkomst: Een schriftelijke huurovereenkomst is verplicht, ook bij tijdelijke verhuur. Hierin staan afspraken over huurprijs, duur, opzegtermijn en huisregels.
  • Huurbescherming: Bij hospitaverhuur gelden de eerste negen maanden van het huurcontract als proeftijd. In die maanden kunt de verhuurder zonder een reden te geven de huur opzeggen. De huurder heeft in die tijd dus nog geen huurbescherming. Na de proeftijd van negen maanden geldt de normale huurbescherming. [5]
    Bij een onzelfstandige woonruimte (bijv. een kamer) is de huurbescherming beperkter. Bij onderhuur van één kamer is er vaak geen huurbescherming. Dat betekent dat bij beëindiging van het hoofdcontract; de onderhuurder ook moet vertrekken.
  • Gemeentelijke regels: Sommige gemeenten hebben regels voor het verhuren van kamers of delen van een woning, zoals vergunningen of meldplicht.
  • Woningdelen: Als je je woning splitst in zelfstandige woonruimtes, moet je voldoen aan bouwtechnische en brandveiligheidseisen.

De meeste verhuurders in Nederland maken gebruik van de standaardmodellen van de Raad voor Onroerende Zaken (ROZ). Deze modellen zijn te downloaden op de site van de ROZ. [6]

Fiscale aspecten

Inkomstenbelasting

De hoofdregel binnen de Wet IB 2001 is dat verhuur van (enkele) kamers ertoe leidt dat dat deel van de woning (met de eventueel bijbehorende eigenwoningschuld) naar box verhuist.

Voorbeeld

Peter verhuurt twee kamers (circa 25%) van zijn eigenwoning aan studenten. Dat betekent dat 25% van De WOZ-waarde van die woning belast wordt in box 3. 25% van de eventuele eigenwoningschuld valt dan ook onder de spelregels van box. In box 1 moet Peter 75% van het eigenwoningforfait aangeven en kan hij 75% van de eventueel betaalde eigenwoningrente aftrekken.

Op deze hoofdregel zijn twee uitzonderingen.

  1. De regeling tijdelijke verhuur.
  2. De kamerverhuurvrijstelling.

De regeling tijdelijke verhuur

Artikel 3.113 Wet IB 2001 ziet op de situatie dat de eigen woning tijdelijk aan derden ter beschikking is gesteld. De woning moet voor de eigenaar nog steeds het hoofdverblijf zijn. Bij langdurig verblijf elders (door de eigenaar) zal de woning echter het karakter van hoofdverblijf verliezen. De uitleg van het begrip ‘tijdelijk’ is dan ook van groot belang. De regeling met betrekking tot de tijdelijke verhuur in artikel 3.113 Wet IB 2001 houdt het volgende in:

  1. artikel 3.111, zevende lid Wet IB 2001 bepaalt allereerst dat een woning die tijdelijk ter beschikking wordt gesteld aan derden het karakter van hoofdverblijf en dus van de eigen woning behoudt. De inkomsten uit deze woning blijven dus behoren tot het inkomen uit werk en woning. Hiermee is tevens zeker gesteld dat de eventuele financieringskosten die betrekking hebben op de verhuurperiode ook aftrekbaar blijven als kosten van de eigen woning;
  2. artikel 3.113 Wet IB 2001 bepaalt vervolgens dat de voordelen uit eigen woning gedurende deze periode worden gesteld op 70% van de voordelen uit het ter beschikking stellen. Deze voordelen zijn dan belast als inkomen uit werk en woning;
  3. artikel 3.120, eerste lid Wet IB 2001 geeft, anders dan de daar genoemde kosten, geen mogelijkheid om kosten in verband met tijdelijke verhuur in aftrek te brengen, deze zijn dus niet aftrekbaar.

 

De beoordeling of een woning tijdelijk ter beschikking aan derden wordt gesteld vindt niet per kalenderjaar plaats. Over een langere periode wordt beoordeeld wat de bestemming en het feitelijke gebruik van de woning is. Zodra het hoofdverblijf wordt verplaatst is de verhuurde woning geen hoofdverblijf meer. Daarmee valt de verhuurde woning niet meer onder artikel 3.111 Wet IB 2001, waardoor ook niet meer wordt toegekomen aan artikel 3.113 Wet IB 2001. De tijdelijke verhuurregeling is dan ook alleen van toepassing tijdens vakanties en korte verblijven in het buitenland.[7]

Voorbeeld:

Joke heeft een eigen woning in bezit met een vrije verkoopwaarde van € 250 000 en een WOZ-waarde van € 200 000. Zij verhuurt de woning drie maanden voor € 500 per maand. Er is sprake van tijdelijke verhuur en het jaarhuurbedrag van € 1500 wordt voor 70% belast in box 1. Dit komt neer op een bedrag van € 1050. Daarnaast geeft zij over het hele jaar het eigenwoningforfait aan en mag ze alle eventuele eigenwoningrente aftrekken..

Het is ook  mogelijk om een deel van je woning te verhuren. Zo valt de verhuur voor enkele weken van een tuinhuisje, via Airbnb, enkele weken wordt verhuurd. De Hoge Raad concludeerde in deze casus dat de opbrengsten van tijdelijke verhuur van een gedeelte van de eigen woning ook valt onder artikel 3.111 zevende lid Wet IB 2001 en daarmee onder artikel 3.113 Wet IB 2001. Daarmee wordt tijdelijke gedeeltelijk verhuur gelijkgesteld aan tijdelijke gehele verhuur. In beide situaties wordt 70% van de huuropbrengst in box 1 belast.[8]

Hetzelfde geldt ook als de eigenaar in het souterrain en op de begane grond woont, terwijl de eerste verdieping aan toeristen wordt verhuurd. De rechtbank overweegt hier dat belanghebbende zelf kan bepalen of hij de verdieping al dan niet voor een bepaalde (korte) periode verhuurde of zelf in gebruik nam. De verdieping blijft onderdeel uitmaken van de eigen woning.[9]

De kamerverhuurvrijstelling

Artikel 3.114 Wet IB ziet op de situatie dat een kamer in een eigen woning permanent is verhuurd. Zou de verhuur tijdelijk plaatsvinden, dan geldt artikel 3.113 Wet IB 2001. Als de kamerverhuurvrijstelling van toepassing is blijft de permanent verhuurde kamer onderdeel van de eigen woning. Hierdoor moet het volledige eigenwoningforfait worden bijgeteld en staat vast dat de volledige financieringsrente met betrekking tot de woning aftrekbaar is.

Voor de toepassing van de vrijstelling wordt een aantal voorwaarden gesteld. De eerste drie voorwaarden maken onderdeel uit van het eerste lid. De vierde voorwaarde is opgenomen in het tweede lid.

  1. de opbrengst uit verhuur bedraagt niet meer dan € 6.633 (2026). Het gaat hier om de bruto opbrengst. Indien de opbrengst meer dan € 6.633 bedraagt, is de regeling niet meer van toepassing. De verhuurde kamer wordt dan niet meer aangemerkt als een onderdeel van de eigen woning maar wordt toegerekend aan box 3. De rente voor zover betrekking hebbend op dit deel van de eigen woning is niet meer aftrekbaar;
  2. de verhuurde kamer is geen zelfstandige woonruimte, maar maakt deel uit van de woning van belastingplichtige;
  3. de verhuurde kamer is onderdeel van het hoofdverblijf van belastingplichtige;
  4. de belastingplichtige staat gedurende de tijd dat wordt verhuurd ingeschreven in de basisadministratie als ingezetene op het woonadres van de woning. Ditzelfde geldt voor degene aan wie wordt verhuurd.

 

De verhuur van een aanbouw met eigen entree, keuken en woonkamer alsmede uit een opgang naar een verdieping bestaande uit een overloop, waarop zich een douchecabine, wasbak en wasmachine bevinden en waarop ruimte is voor een bed en een eigen postadres is een zelfstandige woonruimte (voorwaarde 2) die niet in aanmerking komt voor de kamerverhuurvrijstelling.[10]

BTW

Bij verhuur aan particulieren is de hoofdregel dat verhuur meestal vrijgesteld van BTW (artikel 11, eerste lid (b) Wet OB 1968). Er zijn enkele uitzonderingen waaronder wanneer partijen opteren voor een btw-belaste verhuur van de onroerende zaak. Bij verhuur aan bedrijven kan BTW ook van toepassing zijn.

Overdrachtsbelasting

Indien de woning wordt gekocht als eigen woning is slechts 2% (of 0% bij starters) aan overdrachtsbelasting verschuldigd. Wordt echter direct een deel verhuurd, dan is dat deel niet als eigen woning beschikbaar, waardoor voor dat deel het hoge tarief van 8% geldt.

Verzekeringstechnische aspecten

  • Opstalverzekering: Controleer of de opstalverzekering de verhuur dekt. Meld de verhuur dus bij de verzekeraar anders is er het risico dat de verzekeraar eventuele schade niet vergoedt. Sommige verzekeraars zien verhuur als een hoger risico en kunnen de premie verhogen of uitsluitingen hanteren. Zo moet de verhuurder ook zorgen dat de woning brandveilig is. Bijvoorbeeld:
  • In de verhuurde kamer en in gemeenschappelijke ruimtes moeten rookmelders zijn.
  • De deuren op de vluchtroute moeten gemakkelijk open gaan.
  • Inboedelverzekering: Meld de verhuur bij de verzekeraar anders kan de verzekeraar eventuele schade niet vergoeden
    • Bij verhuur van meubels, moet worden nagaan of deze gedekt zijn onder de eigen inboedelverzekering of dat de huurder een eigen verzekering moet afsluiten.
  • Aansprakelijkheidsverzekering: Zorg dat de aansprakelijkheidsverzekering schade door huurders dekt.
  • Rechtsbijstandverzekering: overweeg een rechtsbijstandsverzekering met de rubriek ‘verhuur van woning’, want een juridisch geschil met een huurder kan duur en langdurig zijn.

Financieringstechnische aspecten

Veel hypotheekverstrekkers staan verhuur van (een deel van) de woning alleen toe met toestemming. Vraag de hypotheekverstrekker om toestemming om een kamer te verhuren in een koopwoning. Dit heet hospitaverhuur.

Als er geen toestemming is, mag er geen kamer worden verhuurd. Gebeurt dat toch, dan kan dit gevolgen hebben voor bijvoorbeeld:

  • dat hogere rente is verschuldigd;
  • dat de hypotheek deels moet worden afgelost;
  • Zonder toestemming kan de hypotheek opeisbaar worden. Dan moet de hypotheek helemaal worden afgelost of de woning verkocht.

Overige zaken

Toeslagen

Voldoet de verhuur aan de voorwaarden voor hospitaverhuur dan blijven de volgende toeslagen hetzelfde:

  • zorgtoeslag;
  • kinderopvangtoeslag;
  • kindgebonden budget.

Voldoet de verhuur niet aan de voorwaarden, dan kan dit gevolgen hebben voor de hoogte van de toeslagen.

Praktische aandachtspunten

  • Huurprijs: Bepaal een marktconforme huurprijs en houd rekening met eventuele servicekosten.
  • Huurdersselectie: Screen huurders zorgvuldig om problemen te voorkomen.
  • Onderhoud: Maak duidelijke afspraken over wie verantwoordelijk is voor onderhoud en kleine reparaties.
  • Gemeentelijke heffingen: Sommige gemeenten heffen toeristenbelasting of andere heffingen bij verhuur.
  • Energielabel: Bij verhuur moet je een geldig energielabel kunnen overleggen.

Borgsom en servicekosten

De maximale borgsom bedraagt twee maanden kale huur. Meer vragen is niet toegestaan, ook niet voor gemeubileerde woningen. De borgsom moet worden terugbetaald binnen twee weken na einde van de huur, tenzij je als verhuurder aantoonbare vorderingen hebt op de huurder.

Vereniging van eigenaren (vve)

Is er sprake van een appartement, dan zijn er waarschijnlijk regels van de vereniging van eigenaren. De vve kan kamerverhuur verbieden.

De splitsingsakte en het huishoudelijk reglement bepalen namelijk of verhuur is toegestaan. Veel VvE’s stellen strikte eisen of verbieden bepaalde vormen van verhuur volledig, zoals kortdurende toeristische verhuur. Overtreedt je dit, dan kan de VvE juridische stappen nemen.

Tenslotte

Het deels verhuren van je eigen woning kan financieel aantrekkelijk zijn, maar brengt ook complexe fiscale, juridische, verzekeringstechnische en financieringstechnische aspecten met zich mee. Het is raadzaam om je goed te laten informeren en waar nodig professioneel advies in te winnen.

De omstreden huurwet, die voormalig minister Hugo de Jonge invoerde, wordt weer aangepast. Huidig minister Elanor Boekholt-O’ Sullivan wil het mogelijk maken dat verhuurders voor sommige woningen hogere huurprijzen kunnen vragen. Daarnaast moet het aanbieden van tijdelijke huurcontracten een optie zijn voor studenten..[11]

Deze bijdrage geeft een overzicht van de belangrijkste aandachtspunten bij verhuur van een of meerdere kamers in de eigen woning. Het kan dan ook handig zijn dit artikel aan je klanten mee te geven om te bepalen of er wel of niet verhuurd gaat worden.

 

[1] Eerste resultaten Taskforce Versnelling Woningbouw, Brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal 20 april 2026, nr. 2026-0000181995.

[2] Commissiedebat Ruimtelijke ordening en huisvesting 11 maart 2026, Tweede Kamer, https://debatdirect.tweedekamer.nl/2026-03-11/binnenlandse-zaken/thorbeckezaal/staat-van-de-volkshuisvesting-14-00/onderwerp.

[3] Verhitte woningmarkt vraagt om specifieke maatregelen, ING Woonbericht 26 maart 2024.

[4] https://www.rijksoverheid.nl/vraag-en-antwoord/woning-verhuren/wat-moet-ik-weten-als-ik-een-hospitakamer-wil-verhuren.

[5] De redenen voor een opzegging zijn te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/vraag-en-antwoord/woning-huren/verhuurder-zegt-huur-op-woning.

[6] https://roz.nl/de-roz-modellen/model-woonruimte/.

[7] Besluit van 24 november 2009, nr. CPP2009/2342M, 6.2, Stcrt 2014, 34403.

[8] Hoge Raad 18 september 2020 nr. 19/03974 ECLI:NL:HR:2020:1448 met noot van Van den Berg.

[9] Rechtbank Noord-Holland 21 november 2023, nr. HAA – 22 _ 3554,  ECLI:NL:RBNHO:2023:12184, NLF 2023/2826.

[10] Hof Arnhem 4 juni 2002, nr. 00-02296, ECLI:NL:GHARN:2002:AE5285.

[11] De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) roept vijftien Nederlandse studentensteden op om regels rond kamerverhuur te versoepelen. Uit onderzoek van de bond blijkt dat gemeentelijk beleid vaak een drempel opwerpt voor verhuurders die woningen willen omzetten naar studentenkamers, terwijl de tekorten op de studentenwoningmarkt groot zijn. Een voorbeeld van een drempel zijn de hoge leges die bij veel gemeente ook weer verschillend zijn.

 

Standpunten gerelateerd aan toekomstvoorzieningen

 

Wettelijke verdeling en de fiscale gevolgen voor de lijfrenterekening

Casus

De rekeninghouder van een lijfrenterekening overlijdt. Hij was gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Uit het huwelijk van de erflater en zijn partner (hierna: de langstlevende echtgenoot) zijn enkele kinderen geboren. In zijn testament heeft de erflater de wettelijke verdeling (artikel 4.13 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)) van toepassing verklaard. De langstlevende echtgenoot maakt geen gebruik van de ongedaanmakingsbevoegdheid (artikel 4.18 BW). Alle erfgenamen (langstlevende echtgenoot en de kinderen) aanvaarden de nalatenschap zuiver. Er bestaat onduidelijkheid over hoe de wettelijke verdeling fiscaal uitwerkt in de situatie van een lijfrenterekening. Daarnaast speelt de vraag aan welke voorwaarden een nabestaandenlijfrente moet voldoen in de situatie dat het overlijden van de rekeninghouder heeft plaatsgevonden voordat de termijnen zijn ingegaan.

  1. Komt in deze situatie de gehele waarde van de lijfrenterekening toe aan de langstlevende echtgenoot?
  2. Aan welke voorwaarden moet de nabestaandenlijfrente voldoen in de situatie dat het overlijden van de rekeninghouder heeft plaatsgevonden, voordat de termijnen zijn ingegaan (lijfrenterekening in de opbouwfase)?

Standpunt belastingdienst[1]

  1. Ja. Aan de langstlevende echtgenoot komt de helft van de waarde van de lijfrenterekening toe op grond van het huwelijksvermogensrecht. De andere helft van de waarde van de lijfrenterekening (deze vererft in de nalatenschap van de overleden rekeninghouder) verkrijgt de langstlevende echtgenoot van rechtswege op grond van de regels van de wettelijke verdeling.
  2. Zoals aangegeven bij antwoord 1 beschikt de langstlevende echtgenoot na het overlijden over de volledige waarde van de lijfrenterekening. Bij een lijfrenterekening in de opbouwfase moet voor de volledige waarde een nabestaandenlijfrente worden bedongen, die voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 5°, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001).

Aandachtspunten adviseur

De wettelijke verdeling houdt in dat de langstlevende echtgenoot van rechtswege de goederen van de nalatenschap verkrijgt onder de verplichting om de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening te nemen (artikel 4:13, tweede lid, BW). De kinderen krijgen een niet-opeisbare geldvordering op de langstlevende echtgenoot ter grootte van hun erfdeel dat eerst opeisbaar is in de situaties die zijn opgenomen in artikel 4:13, derde lid, BW.

De lijfrenterekening valt in de nalatenschap van de overledene. In geval van een huwelijksgemeenschap betekent dit dat in beginsel de helft van de lijfrenterekening aan de langstlevende echtgenoot toekomt op grond van het huwelijksvermogensrecht (artikel 1:94 BW). De andere helft van de lijfrenterekening valt in de nalatenschap waarop de regels van de wettelijke verdeling van toepassing zijn.

De gehele lijfrenterekening komt dus per saldo toe aan de langstlevende echtgenoot.

De aard van de lijfrenterekening brengt met zich mee dat het opgebouwde lijfrentekapitaal moet worden gebruikt voor uitkeringen voor de oude dag of voor uitkeringen na het overlijden van de rekeninghouder. Als een rekeninghouder overlijdt, moet de volledige waarde worden aangewend voor een direct ingaande nabestaandenlijfrente (artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, Wet IB 2001).

Dit betekent dat in deze situatie de langstlevende echtgenoot bij een lijfrenterekening in de opbouwfase een nabestaandenlijfrente moet bedingen. Die nabestaandenlijfrente moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 3.126a, vierde lid, onderdeel b, onder 5°, Wet IB 2001. De periode tussen de eerste en laatste termijn moet minimaal vijf jaar bedragen, verminderd met het aantal jaren dat de leeftijd van de echtgenoot op het tijdstip van het uitkeren van de eerste termijn hoger is dan de leeftijd die vijftien jaar hoger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet.

Pensioen APK-gesprek

Casus

Als een werkgever in aanvulling op de keuzebegeleiding van de pensioenuitvoerder de kosten van een persoonlijk pensioenadvies voor zijn rekening neemt, is sprake van (belast) loon voor de werknemer.[2]

Een werkgever besluit voor zijn werknemers een zogenoemd pensioen APK-gesprek te verzorgen; een vrijwillig persoonlijk (1-op-1) pensioenadviesgesprek om meer grip te krijgen op de financiële toekomst.

Is het pensioen APK-gesprek te kwalificeren als een (belast) persoonlijk pensioenadvies?

Standpunt belastingdienst[3]

Ja, als sprake is van een gesprek dat keuzebegeleiding overstijgt.

Aandachtspunten adviseur

In de praktijk is het gebruikelijk een pensioen APK-gesprek – een vrijwillig persoonlijk (1-op-1) pensioenadviesgesprek – aan te bieden aan werknemers om deze meer grip te kunnen geven op hun financiële toekomst. Het gesprek vormt een wegwijzer; het geeft de werknemers inzicht in hun pensioen en begeleidt de werknemers zo goed mogelijk in hun pensioenkeuzes. De werknemers zijn daarmee in staat om het pensioen beter af te stemmen op hun eigen wensen en verwachtingen. Een werknemer krijgt met dat gesprek antwoorden op vragen zoals bijvoorbeeld:

  • Wat wordt mijn netto besteedbaar inkomen later?
  • Klopt dit met mijn verwachtingen en wensen?
  • Welke keuzes kan ik nu of straks maken of zou ik moeten maken voor een hoger netto besteedbaar inkomen, zoals:
  • Kan een waardeoverdracht plaatsvinden van de opgebouwde aanspraken naar de huidige regeling?
  • Kan een ruil van pensioensoorten plaatsvinden?
  • Kan ik variëren met de hoogte en ingangsdatum van mijn pensioen?
  • Kan het pensioen eerder of later ingaan?
  • Kan ik pensioen afkopen, extra inleggen in een pensioenregeling of in een lijfrente of kan ik beleggen naast mijn pensioenregeling?
  • Wat zijn de consequenties als ik doorwerk na mijn AOW?
  • Hoe is het pensioen voor nabestaanden geregeld?

Dat gesprek kan inzicht geven in de pensioenregeling en de mogelijke keuzemogelijkheden daarin (keuzebegeleiding), maar ook in de persoonlijke vermogenssituatie in relatie tot de pensioenaanspraken. Tijdens het pensioen APK-gesprek staan meestal de persoonlijke situatie en belangen van de werknemer centraal en kijkt een pensioen- of financieel adviseur naar de financiële wensen en plannen van de werknemer voor nu en later. De werknemer verkrijgt door dit gesprek het benodigde inzicht of zijn/haar financiële planning goed geregeld is of dat daarvoor nog actie noodzakelijk is op financieel gebied (en zo ja, welke) om het gewenste leven voor nu en in de toekomst te kunnen bekostigen.

Als de werkgever besluit een pensioen APK-gesprek te verzorgen voor zijn werknemers met als doel de werknemer te voorzien van een persoonlijk pensioen- of financieel advies, is sprake van “een voordeel in natura voor de werknemer dat fiscaal als loon uit dienstbetrekking kwalificeert”. Om een werknemer tijdens een pensioen APK-gesprek namelijk een passend pensioen- of financieel advies te kunnen geven, is inzicht in de persoonlijke financiële en fiscale situatie van de werknemer nodig. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan het in kaart brengen van de wensen van de werknemer en hoe hij deze kan realiseren gelet op zijn totale inkomsten- en uitgavenkant, spaargelden, beleggingen, hypotheeklasten, moment van pensionering van een partner en andere pensioenproducten. In dat geval is geen sprake meer van keuzebegeleiding zoals bedoeld in artikel 48a Pensioenwet. Bij keuzebegeleiding ontbreekt immers het totale inzicht in de persoonlijke en financiële situatie (en wensen) van een werknemer en vindt geen persoonlijk en individueel pensioen- of financieel adviesgesprek plaats.

Fiscaal kan het als volgt worden samengevat:

  • De (eventuele) kosten van keuzebegeleiding vormen voor de werkgever zuivere bedrijfskosten die de werknemers geen voordeel opleveren. De werknemers besparen zich geen privéuitgaven bij enkel pensioenvoorlichting. Er is geen sprake van loon uit dienstbetrekking.
  • De kosten van een pensioen APK-gesprek voor de werkgever met als doel de werknemer te voorzien van een persoonlijk pensioen- of financieel advies (dat daarmee verder gaat dan keuzebegeleiding) vormen weliswaar ook bedrijfskosten, maar deze bedrijfskosten leveren de werknemers wel een voordeel op dat kwalificeert als loon uit dienstbetrekking. Persoonlijk pensioen- of financieel advies komt immers voor rekening van de werknemer. De werknemer geniet in zoverre loon uit dienstbetrekking. Voorbeelden van persoonlijke pensioen- en financiële adviezen zijn adviezen over:
    – de benutting van bijspaarmogelijkheden passend bij gewenst netto besteedbaar inkomen;
    – de ingangsdatum van het pensioen gelet op de persoonlijke financiële situatie.
    – hypotheken (oversluiten, geheel of gedeeltelijk aflossen etc.);
    – mogelijkheden in de derde pijler (lijfrenten);
    – arbeidsongeschiktheidsverzekeringen; en,
    – beleggen.

 [1] Standpunt Belastingdienst 27 juni 2025,  Wettelijke verdeling en de fiscale gevolgen voor de lijfrenterekening KG:070:2025:3.

[2] Standpunt Belastingdienst, Persoonlijk pensioenadvies, 3 oktober 2023, KG:204:2023:18.

[3] Standpunt Belastingdienst pensioen APK-gesprek 23 september 2025, KG:204:2025:16.

Standpunten over privé situaties

Reiskosten vrijwilliger voor ANBI en giftenaftrek

Casus

Via een algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI) neemt een belastingplichtige als begeleider deel aan een evenement inclusief de reis ernaartoe. Het evenement past binnen de doelstellingen van de ANBI. Als begeleider zorgt de belastingplichtige ervoor dat de andere deelnemers (niet zijnde begeleiders) kunnen deelnemen aan het evenement en de bijbehorende reis ernaartoe. De verplichte deelnemersbijdrage voor begeleiders wordt door de belastingplichtige betaald aan de ANBI. Hiermee worden de voorbereiding en organisatie van de reis en de kosten die de ANBI maakt om het evenement te organiseren door de ANBI betaald. De werkzaamheden van een begeleider zijn van dien aard dat er zo goed als geen vrije tijd is.

Kwalificeert de betaalde deelnemersbijdrage van de begeleider als andere gift als bedoeld in artikel 6.35 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

Standpunt Belastingdienst[1]

Ja, de betaalde deelnemersbijdrage kwalificeert in dit geval als aftrekbare gift als bedoeld in artikel 6.35 Wet IB 2001 voor zover daar geen tegenprestatie tegenover staat. Aangezien in dit geval de belastingplichtige het evenement en bijbehorende reis ernaartoe bijwoont in de hoedanigheid van begeleider, de werkzaamheden van dien aard zijn dat er zo goed als geen vrije tijd is en er alleen kosten zijn gemaakt om het begeleiden mogelijk te maken, is er in deze casus geen sprake van een tegenprestatie die van meer dan bijkomstig belang is. Dit is wellicht anders in de situatie waarin de begeleider wel vrij te besteden tijd heeft tijdens het evenement of zaken ontvangt die niet noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de begeleiding.

Aandachtspunten adviseur

Giften: In artikel 6.33, eerste lid, onderdeel a, Wet IB 2001 zijn giften gedefinieerd als bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Daarvan is hier sprake.

Deelnemersbijdrage: De vraag is of in deze casus kan worden gesproken van vrijgevigheid. Als de belastingplichtige als begeleider aan het evenement en de bijbehorende reis ernaartoe wil deelnemen, is hij immers verplicht om een deelnemersbijdrage voor begeleiders te betalen. De belastingplichtige kiest hier echter wel vrijwillig voor en is daarom ook uit vrijgevigheid bereid om de deelnemersbijdrage te betalen. In deze casus woont de belastingplichtige het evenement als begeleider, de werkzaamheden zijn van dien aard dat er zo goed als geen vrije tijd is en er alleen kosten zijn gemaakt om het begeleiden mogelijk te maken. Er is dan geen sprake van een tegenprestatie die van meer dan bijkomstig belang is. Daardoor kwalificeert de gehele door de belastingplichtige betaalde deelnemersbijdrage voor een begeleider als andere gift als bedoeld in artikel 6.35 Wet IB 2001. Dit is wellicht anders in de situatie waarin de begeleider wel vrij te besteden tijd heeft tijdens het evenement of zaken ontvangt die niet noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de begeleiding.

Overlijden en bepaling ‘loon over een maand’

Casus

Nadat een werknemer meer dan 52 weken ziek is, kort zijn werkgever per
1 augustus op grond van de cao het salaris van de werknemer tot 70% van zijn bruto (maand)loon. De werknemer overlijdt op 20 augustus. Zijn nabestaanden hebben, op grond van de van toepassing zijnde cao, recht op een overlijdensuitkering.

Op 15 augustus heeft de werkgever aan al zijn werknemers toegezegd dat hun bruto (maand)loon per 1 oktober van dat kalenderjaar zal worden verhoogd.

Is de werkgever verplicht bij het bepalen van het ‘loon over een maand’ bij de vrijstelling voor de eenmalige overlijdensuitkering van artikel 11, eerste lid, onderdeel m, van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB 1964) rekening te houden met de korting naar 70% van het (maand)loon en de toekomstige salarisstijging?

Standpunt Belastingdienst[2]

De werkgever is verplicht bij het bepalen van het loon over een maand rekening te houden met de korting naar 70% van het (maand)loon en de toekomstige salarisstijging.

Aandachtspunt adviseur

Volgens het Burgerlijk Wetboek (artikel 7:674 lid 2 BW) ben je als werkgever verplicht om minimaal één maand het loon door te betalen van de overleden werknemer. De periode loopt vanaf de dag na het overlijden tot en met één maand na de dag van het overlijden. De uitkering komt ten goede aan de duurzaam samenlevende fiscaal partner en, als deze er niet is, aan de minderjarige kinderen van de werknemer. Soms wijken cao’s of arbeidsvoorwaarden af van deze verplichte uitkering. In dat geval volg je de voorwaarden van de cao of de arbeidsvoorwaarden.

De vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel m, Wet LB 1964 is van toepassing op een eenmalige uitkering ter zake van het overlijden van de werknemer voor zover de uitkering niet meer bedraagt dan driemaal het loon over een maand.

Om het loon over een maand te berekenen wordt in beginsel het overeengekomen vaste bruto jaarloon van de werknemer in het betreffende kalenderjaar bepaald, waarna dit vervolgens wordt gedeeld door twaalf. Het fiscaal al genoten en (mits overeengekomen) nog te genieten loon in het kalenderjaar van overlijden is dus maatgevend.

De werkgever is dus verplicht rekening te houden met zowel de korting naar 70% van het (maand)loon als de latere salarisstijging in het kalenderjaar. Beide loonbestanddelen maken immers onderdeel uit van het overeengekomen vaste bruto jaarloon in het kalenderjaar van overlijden. Het zijn vaste en gegarandeerde beloningen – die zijn overeengekomen vóór het overlijden van de werknemer – waarop de werknemer in hetzelfde kalenderjaar recht heeft.

Voor de bepaling van het loon over een maand in casu geldt dus het volgende:

  • Januari tot en met juli 100% bruto (maand)loon.
  • Augustus tot en met september 70% van het bruto (maand) loon.
  • Oktober tot en met december 70% van verhoogde bruto (maand)loon.
Gouden munten en box 3

Casus

Belastingplichtige houdt ter belegging diverse binnenlandse en buitenlandse gouden munten. Een deel van de gouden munten heeft in de betreffende landen de status van wettig betaalmiddel, maar wordt in de regel niet als zodanig gebruikt. Dit omdat de

Kwalificeren ter belegging gehouden gouden munten onder de box-3 wetgeving met ingang van 1 januari 2023 als contant geld als bedoeld in artikel 5.2, derde lid, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001)?

Standpunt Belastingdienst[3]

De ter belegging gehouden gouden munten kwalificeren niet als contant geld. Deze gouden munten behoren tot de vermogenscategorie ‘overige bezittingen’ voor box 3.

Aandachtspunt adviseur

In de Wet IB 2001 is geen definitie opgenomen van ‘contant geld’. Het woord ‘contant’ duidt op een stoffelijk goed. Giraal geld – waaronder virtuele munten – valt daarom niet onder contant geld. Het woord ‘geld’ houdt in dat het een algemeen aanvaard ruil-/betaalmiddel moet zijn.

  • Gouden munten worden in de praktijk zelden tot niet als betaalmiddel gebruikt.
  • Gouden munten zijn niet aan te merken als de fysieke evenknie van een banktegoed. Het is immers niet mogelijk om deze gouden munten rechtstreeks te storten op een bankrekening.
  • De wetgever bedoelt met contant geld de officiële munteenheid/valuta van een land waarbij de nominale waarde steeds gelijk is aan waarde in het economische verkeer. In het geval van gouden munten in de officiële munteenheid/valuta, geldt dat deze waarde niet gelijk is. De waarde wordt namelijk niet bepaald door de nominale waarde van de munt, maar door de edelmetaalwaarde (intrinsieke waarde) of de numismatische waarde (de muntkundige waarde).

Ter belegging gehouden gouden munten kwalificeren dus niet als contant (artikel 5.2, derde lid, onderdeel c, Wet IB 2001) maar moeten worden gezien als belegging, derhalve zijn dit overige bezittingen voor box 3.

Vrijstelling groene beleggingen en negatief rendement

Casus

Belastingplichtige wil gebruikmaken van de tegenbewijsregeling in box 3, omdat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden in een kalenderjaar lager is dan het op forfaitaire wijze berekende voordeel uit sparen en beleggen. Belastingplichtige bezit onder meer groene beleggingen (groene spaartegoeden en groene beleggingen). In enig jaar heeft belastingplichtige een negatief rendement gemaakt op deze groene beleggingen.

Op welke wijze wordt bij toepassing van de tegenbewijsregeling box 3 een negatief rendement op groene beleggingen in aanmerking genomen?

Standpunt Belastingdienst[4]

Als de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar lager is dan het vrijgestelde bedrag aan groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), dan behoren de groene beleggingen niet tot de bezittingen en kan een negatief werkelijk rendement daarop niet in aanmerking worden genomen bij de tegenbewijsregeling box 3.

Als de waarde van de groene beleggingen aan het begin van het kalenderjaar hoger is dan het vrijgestelde bedrag aan groene beleggingen als bedoeld in artikel 5.13, eerste lid, Wet IB 2001, dan behoren de groene beleggingen wel tot de bezittingen en kan een negatief werkelijk rendement daarop voor een deel in aanmerking worden genomen bij de tegenbewijsregeling box 3.

Aandachtspunt adviseur

In het standpunt geeft de Belastingdienst het volgende verhelderende voorbeeld.

Een belastingplichtige is alleenstaand en bezit begin 2025 € 30.000 aan groene beleggingen. De vrijstelling groene beleggingen bedraagt in 2025 € 26.312.

De belastingplichtige ontvangt gedurende het jaar 2025 € 1.000 aan dividend op de groene beleggingen die wordt bijgeschreven op zijn rekening voor groene beleggingen. Aan het einde van 2025 zijn de groene beleggingen in totaal € 25.000 waard. Dat betekent dat er in 2025 een regulier voordeel is van € 1.000 en een negatieve vermogensaanwas van € -5.000. In totaal bedraagt het werkelijke rendement op groene beleggingen in 2025 dus € -4.000.

De vrijstelling wordt naar rato toegepast op basis van het bedrag aan groene beleggingen op de peildatum van 1 januari 2025. Dat betekent dat 87,70% (€ 26.312 / € 30.000) van het negatieve werkelijke rendement van de groene beleggingen van € 4.000 is vrijgesteld (= € 3.508). Dat betekent dat een bedrag van € 492 mag worden verrekend met eventueel positief werkelijk rendement op andere bezittingen.

 [1] Standpunt Belastingdienst Reiskosten vrijwilliger voor ANBI en giftenaftrek 15 december 2025, KG 202:2025:26.

[2] Standpunt Belastingdienst Bepaling ‘loon over een maand’  18 november 2025 KG:204:2025:21.

[3] Standpunt Belastingdienst Gouden munten en box 3 7 november 2025, KG:202:2025:22.

[4] Standpunt Belastingdienst Vrijstelling groene beleggingen en negatief rendement 10 september 2025, KG:202:2025:14.

Tenslotte

Zeer regelmatig worden standpunten op elk fiscaal gebied gepubliceerd. Om zo actueel mogelijk te blijven is het mogelijk om je te abonneren op nieuwe berichten. Hiervoor ga je naar https://kennisgroepen.belastingdienst.nl/. Open ‘Menu’. Onder ‘Nieuws’ is de mogelijkheid om je in te schrijven op de nieuwsberichten per rubriek (inkomstenbelasting,  overdrachtsbelasting, schenk- en erfbelasting, enzovoorts).