Wetgeving eigen woning 2022: nog ingewikkelder!

september 2021

In het wetsvoorstel ‘Overige fiscale maatregelen’ zijn de nieuwe wetsartikelen rond de aanpassing van de eigenwoningregeling in partnerschapssituaties en bij overlijden opgenomen. Die waren al aangekondigd in de Kamerbrief voorgenomen wetswijzigingen toepassing eigenwoningregeling bij partners.1 De wetteksten zijn niet verrassend en ik verwijs voor mijn commentaar naar mijn noot in NLF 2021/1797.

In de memorie van toelichting (MvT) wordt een aantal voorbeelden gegeven die voor zich spreken. Na lezing van de MvT wordt de roep om vereenvoudiging alleen maar heftiger. Wie begrijpt dit nog? Wie wil dit nog? Wie gaat alles vastleggen (dossiervorming)? Is de adviseur nog wel aansprakelijk als hij iets over het hoofd ziet? De wetgeving is zo ingewikkeld dat het vrijwel onmogelijk is om het totale overzicht te houden.

Ook de MvT leidt weer tot vragen. Ik heb vast de volgende vragen voor de Tweede Kamer.

  1. Geldt de uitzondering op het overgaan van de eigenwoningreserve (EWR) op een partner ook ten aanzien van gehuwden met een huwelijk op huwelijkse voorwaarden met een finaal verrekenbeding?
  2. In de voorbeelden wordt steeds uitgegaan van een aankoopverhouding van 50%-50%. Hoe zit dit nu bij andere verhoudingen? In de brief van 31 augustus jl. leek de staatssecretaris de wetgeving ook op andere verhoudingen toe te passen. Dit blijkt echter niet uit de MvT.
  3. De wetswijziging moet op 1 januari 2022 ingaan. Op basis van het besluit van 30 januari 20182 hebben stellen (al dan niet) bewust een keuze gemaakt om geen gebruik te maken van de goedkeuring, waardoor een deel van de eigenwoningschuld in box 3 valt. Betekent de wetswijziging dat voor deze groep niets verandert en de toepassing van de eigenwoningregeling voor hen dus van kracht blijft volgens de toen geldende wetgeving? Zo ontstaat er dus een geheel nieuw regime.
  4. Bij de volgende (regelmatig voorkomende) situatie ontstaat wel een heel raar resultaat. A en B (gehuwd) hebben hun oude eigenwoningschuld afgelost. Zij hebben daarna (enkele jaren geleden) een dakkapel gefinancierd. A overlijdt. B zou dan het aflossingsschema van A gewoon moeten blijven voortzetten. Van rechtswege vervreemdt A echter zijn (deel van de) woning bij overlijden, zoals nadrukkelijk wordt betoogd in de MvT (p. 33). Bij overlijden ontstaat daarom automatisch een aflossingsstand. Die vervalt door de nieuwe wetgeving. Dat betekent dat B voor de helft van de EWS een nieuwe aflossingsschema van 360 maanden in kan laten gaan. Dat lijkt mij helemaal niet de bedoeling.
  5. Wanneer wel gebruikgemaakt is van de mogelijkheid door een partner om de BEWS-ruimte van de ander te gebruiken, is het onduidelijk wat de gevolgen in geval van uit elkaar gaan van de partners zijn. Blijft het BEWS-recht dan bij degene die het heeft gebruikt of juist bij degene die deze ooit is aangegaan? Waarschijnlijk is het laatste het geval, maar daar wordt dan weer niets over geschreven.

Oproep

Het mag duidelijk zijn dat deze lijst met vragen nog verder kan worden aangevuld. Dit kan toch niet de bedoeling zijn! Ik roep de staatssecretaris dringend op om, in overleg met de Tweede Kamer, een commissie te formeren die uiterlijk 31 december 2021 een advies geeft voor de aanpassing van de eigenwoningregeling. De nieuwe wettekst kan, mag en moet eenvoudig zijn. De Tweede en Eerste Kamer behandelen de nieuwe wetgeving in het voorjaar 2022. Invoering per 1 januari 2023. Whisful thinking? Waarschijnlijk, maar zo kan het echt niet (meer).