Wetgeving 2020: niet erg uitdagend

december 2019

Drs. J.E. van den Berg, Duoberg Consultants BV en verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, fiscale economie.

Drs. J.H.J. Brauwers, begeleidt en adviseert professionals op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering, estate planning, bedrijfsoverdracht en -opvolging.

Gepubliceerd in VfP 2019/11 (Kluwer)

Op 17 september 2019 heeft het kabinet haar plannen voor 2020 bekendgemaakt. In dit artikel vatten wij de voor medewerkers in de financiële dienstverlening de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. De huidige voorstellen kunnen nog wel veranderen.[1] Inmiddels hebben de Algemene beschouwingen plaatsgevonden. De stemmingen in de Tweede Kamer vinden plaats op 14 november. De Eerste Kamer stemt waarschijnlijk op 16 en 17 december.

Macro-economische ontwikkelingen
De economische groei in Nederland valt de komende jaren terug tot een gemiddeld niveau en mogelijk zelfs lager. Dit komt onder meer door de onzekerheid over de Brexit, mogelijke handelsoorlogen en alle eisen (kosten) rond milieu. Het kabinet gaat de economie over meerdere jaren stimuleren.

In het regeerakkoord was afgesproken dat er in 2020 een flinke lastenverlichting voor huishoudens komt. Het kabinet verlicht de lasten nu verder met 3 miljard via hogere heffingskortingen, lagere tarieven in de inkomstenbelasting en een lagere energiebelasting. Dit moet leiden tot een koopkrachtstijging van werkenden van meer dan 2% en die van uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden met ruim 1%. Naast deze lastenverlichting verliest de overheid ook inkomsten door het besluit om de gaswinning verder terug te brengen en een korting op de verhuurdersheffing.

De afgelopen jaren beloofde de regering telkens een koopkrachtstijging (2019: voorspeld 1,5%). Die bleek voor de meeste Nederlanders echter niet uit te komen (werkelijke koopkrachtverbetering 2019: 0,3%). Daarom is er dit jaar geen ‘belofte’, maar een ‘verwachting’ uitgesproken. Op basis van het belastingplan 2020, zullen de meeste Nederlanders er in 2020 op vooruit gaan. Het Nibud heeft hier een berekening van gemaakt voor enkele inkomensgroepen. Het Nibud hanteert hierbij de volgende uitgangspunten (naast het Belastingplan): [2]

  • Een inflatie van 1,5%
  • Een stijging in inkomen van 2,5%
  • Stijging van de zorgpremie met € 3 per maand
Koopkrachtontwikkeling voor 2020 (bedragen netto per maand)
  Procentueel In euro’s per maand
Eenoudergezin, 2 kinderen, in de bijstand 0,7% 15
Alleenstaand, werkend € 25.000 3,1% 56
Alleenstaand, zelfstandig € 25.000 1,2% 27
Paar, zonder kinderen, tweeverdiener
€ 35.000 en € 35.000
2,0% 92
Paar, 1 kind, beiden zelfstandig € 40.000 en € 15.000 2,9% 129
Paar, 2 kinderen, € 35.000 en € 25.000 3,7% 170
Paar, 3 kinderen, tweeverdiener € 35.000 en € 10.000 4,6% 166
Alleenstaand, AOW + € 5.000 0,9% 17
Paar, AOW € 17.500 en € 7.500 0,2% 6

Voor gepensioneerden is de koopkrachtontwikkeling wel uiterst ongewis. Veel gepensioneerden zullen weliswaar een verhoging van hun AOW-uitkering krijgen, maar geen hoger ouderdomspensioen (of nabestaandenpensioen). Veel pensioenfondsen staan er relatief slecht voor. Er worden voor zeer veel gepensioneerden juist kortingen verwacht. DNB-president Knot adviseert zelfs snel te beginnen met het korten van pensioenen.[3] Dat heeft uiteraard een negatief effect op hun consumptief besteedbaar inkomen (cbi) en daarmee op hun koopkracht.

Behalve aan de inkomenskant wordt de koopkracht ook ingeperkt door hogere zorgpremies, belasting op aardgas, accijnsstijgingen voor bezitters van een dieselauto en tabak. Daarnaast gaat het tarief van elektriciteit omlaag en gaat het btw-tarief voor elektronisch geleverde boeken (e-books), kranten en tijdschriften van 21% naar 9%.

Zakelijke rijders krijgen verder nog te maken met een stijgende bijtelling voor elektrische auto’s van de zaak.

Hoewel de loonstijging of inkomensstijging die in eerdere jaren als uitgangspunt werd genomen, vaak niet daadwerkelijk is gehaald, valt deze voor 2020 groter uit dan het Centraal Planbureau (CPB) had verwacht. Dat blijkt uit een berekening van werkgeversvereniging AWVN, die de tot september 2019 afgesloten meerjarige cao’s voor volgend jaar in kaart heeft gebracht.[4] De AWVN berekent dat op basis van de reeds in de marktsector afgesloten meerjarige cao’s die over geheel 2020 doorlopen er voor volgend jaar een loonstijging uitrolt van 3,3%.

Al met al zijn dit, naast alle fiscale aanpassingen op tarieven, heffingskortingen, tarieven en aftrekbare posten, voldoende ingrediënten om nog eens naar de ontwikkeling van het cbi te kijken.

Tarieven box 1: Snellere invoering tweeschijvenstelsel
De tariefschijven in de inkomstenbelasting worden aangepast. Er zou tot 2021 worden toegewerkt naar een tweeschijvenstelsel. Dit wordt echter naar voren gehaald, waardoor er in 2020 al sprake is van een tweeschijvenstelsel. Voor AOW-gerechtigden gelden nog wel drie tarieven.

Wij beperken ons in dit artikel op de wijzigingen in 2020 ten opzichte van 2019 voor mensen die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt. Het tarief in de eerste schijf gaat iets omhoog, maar dat in de volgende schijven gaat juist iets omlaag.

  2019   2020
Tarief schijf 1 36,65%   37,35%
Tarief schijf 2 38,10%   37,35%
Tarief schijf 3 38,10%   37,35%
Tarief schijf 4 51,75%   49,50%
   
Grens schijf 1 € 20.384   € 20.711
Grens schijf 2 € 34.300   € 34.712
Grens schijf 3 € 68.507   € 68.507

Winst uit onderneming
De IB-ondernemer/ZZP-er krijgt te maken met een beperking van de ondernemersaftrek en de MKB-winstvrijstelling, wanneer inkomen in de hoogste schrijf wordt genoten. Een IB-ondernemer mag de ondernemersaftrek in mindering brengen op de belastbare winst uit onderneming. Vervolgens wordt daarop nog 14% MKB-winstvrijstelling in mindering gebracht. Voor zover de belastbare winst boven de grens van € 68.507 komt (waarvoor in 2020 het tarief van 49,5% geldt), gaat de aftrek stapsgewijs verlaagd worden tot de eerste schijf (37,10%). Het versnellen van invoering van het tweeschijventarief, betekent niet dat de aftrekbeperking ook sneller verloopt. Daarin wordt vastgehouden aan het eerder gepubliceerde tijdspad tot 2023.

De ontwikkeling van de aftrekbeperking verloopt als volgt:

Jaar 2019 2020 2021 2022 2023
Maximaal aftrektarief grondslagverminderende posten 51,75% 46,0% 43,0% 40,0% 37,10%

Ook de zelfstandigenaftrek zelf (een van de vormen van ondernemersaftrek) wordt stapsgewijs verlaagd. De ontwikkeling van de zelfstandigenaftrek ziet er als volgt uit:

Jaar Hoogte zelfstandigenaftrek
2019 € 7.280
2020 € 7.030
2021 € 6.780
2022 € 6.530
2023 € 6.280
2024 € 6.030
2025 € 5.780
2026 € 5.530
2027 € 5.280
2028 en daarna € 5.000

DGA en bv

Excessief lenen bij de eigen vennootschap’
De Staatssecretaris van Financiën heeft op 4 maart 2019 de concepttekst van de Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap ter consultatie gepubliceerd. Hieruit blijkt dat een DGA in box 2 belasting moet betalen voor zover hij meer dan € 500.000 leent van zijn bv.

Hoewel de maatregel pas per 1 januari 2022 ingaat, zal mede gezien de verhoging van het tarief in box 2 per 2021 naar 26,9% een DGA dit jaar al in actie moeten komen, wil hij nog gebruik kunnen maken van het tarief van 25% als hij het bovenmatig deel van de schuld zou willen aflossen uit een dividend.

Bij de Prinsjesdagstukken is nog geen verdere invulling gegeven aan een definitief wetsvoorstel. Zodra daar meer duidelijkheid over is, zal in VfP aandacht aan dit voorstel worden besteed.

Zie voor de aanpassingen op het ab-tarief, de Vpb-tarieven en de samenloop hiervan, hieronder onder het kopje vennootschapsbelasting.

Toekomstvoorzieningen

AOW en pensioen
In de Miljoenennota zijn enkele aspecten uit het Pensioenakkoord opgenomen. Zo stijgt de AOW-leeftijd minder snel. In 2020 en 2021 blijft die bevroren op 66 jaar en vier maanden. Pas in 2024 bereikt de AOW-leeftijd de 67 jaar. Oorspronkelijk zou dat in 2021 het geval zijn. Na 2024 stijgt de AOW-gerechtigde leeftijd met acht maanden voor elk jaar dat de levensverwachting toeneemt.

Door deze vertraging krijgen pensioengerechtigde die het pensioen hebben vervroegd en daarmee ook de nog ontbrekende AOW-uitkering hebben opgevuld, een probleem. De variatie in de hoogte van de uitkeringen is wettelijk begrensd door een bandbreedte van 100:75: de laagste uitkering mag niet minder bedragen dan 75% van de hoogste uitkering. Daarbij is het toegestaan dat tussen de ingangsdatum van het pensioen en de AOW-leeftijd een bedrag ter hoogte van tweemaal de gehuwden AOW-uitkering vermeerderd met de vakantietoeslag buiten de bandbreedte van 100:75 mag blijven.  Zowel de variatie in de hoogte van de pensioenuitkeringen binnen de bandbreedte van 100:75 als de verruiming voor het opvullen van het gemis aan AOW-uitkering, dient in beginsel uiterlijk bij het ingaan van het pensioen te worden vastgesteld.

Onder de huidige wetgeving is het niet mogelijk de hoogte van de pensioenuitkering aan te passen aan het eerder dan verwacht ontvangen van de AOW-uitkering. In de Pensioenwet, de Wet Verplichte Beroepspensioenregeling en de Wet op de Loonbelasting 1964 is wel geregeld dat de mate van variatie van reeds ingegaan pensioen kan worden aangepast indien mensen na de ingang van het pensioen te maken krijgen met een (onverwachte) verhoging van de AOW-leeftijd. Er is voorgesteld om toe te staan de mate van variatie van reeds ingegaan pensioen te wijzigen indien mensen na pensioeningang te maken krijgen met een (onverwachte) wijziging van de AOW-leeftijd. Dit ziet dus ook op een verlaging van de AOW-leeftijd.[5]

Verder wordt de fiscale facilitering om individueel te sparen voor pensioen (derde pijler) gelijkgetrokken met mensen die pensioen opbouwen via hun werkgever (tweede pijler).

Tenslotte komt er de mogelijkheid om in een nieuw pensioenstelsel een gedeelte van de pensioenuitkering als bedrag ineens op te nemen. Eerder kondigde het kabinet al aan dat het om maximaal 10% van de waarde van het pensioen zou gaan.

Overgangsregime saldolijfrente
Saldolijfrenten zijn onder te verdelen in lijfrenten waarvan de premies in het geheel niet aftrekbaar waren (zuivere saldolijfrenten) en lijfrenten waarvan de premies deels wel en deels niet in aftrek zijn gebracht (hybride saldolijfrenten). Bij de invoering van de Wet IB 2001 was er overgangsrecht van toepassing op alle saldolijfrenten. Dit overgangsrecht vervalt per 31 december 2020 (artikel O Invoeringswet IB 2001).

Voor de hybride saldolijfrenten en buitenlandse pensioenrechten (die in de opbouwfase niet voldoen aan de Nederlandse maatstaven, maar die op basis van de belastingwetging van het andere land wel als pensioenregeling zijn aan te merken) blijft het overgangsrecht echter in stand.

Voor de zuivere saldolijfrenten eindigt het overgangsrecht wel op 31 december 2020, waardoor er een afrekenverplichting is en deze verhuizen naar box 3.

Wonen
Het kabinet wil zorgen dat er sneller meer betaalbare woningen voor starters en middeninkomens zijn. Daarvoor is  € 2 miljard beschikbaar. Gaan de inkomensgrenzen voor sociale-huurwoningen veranderen. Voor meerpersoonshuishoudens gaat de grens bijvoorbeeld omhoog naar € 42.000. Deze huishoudens komen dan makkelijker in aanmerking voor een sociale-huurwoning van een woningcorporatie. Woningcorporaties krijgen meer ruimte voor lokaal maatwerk. Daardoor kunnen ook lage middeninkomens in aanmerking komen. Of huurders met een hoger inkomen een extra huurverhoging van € 50 tot € 100 geven.

Woningen starters en middeninkomens
Met een fonds van twee miljard euro wil de overheid de woningnood aanpakken. Uit dat fonds kunnen gemeenten (vooral (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Groningen) subsidies krijgen voor nieuwbouwprojecten. Verder kunnen woningcorporaties rekenen op belastingvoordelen als zij gaan bijbouwen. Onder meer moeten zij tijdelijke huurhuizen bouwen. Woningcorporaties die deze woningen tussen 2020 en 2024 bouwen, hoeven hierover 15 jaar lang geen Verhuurderheffing te betalen. Zo worden onder meer jongeren en studenten geholpen, net als mensen die er onlangs alleen voor zijn komen te staan.

De huizenprijzen zijn sterk gestegen en de leennormen zijn aangescherpt. Starters en mensen met een middeninkomen komen hierdoor steeds moeilijker aan een eigen woning. In een poging hier iets aan te doen, zouden er gewoon veel meer woningen gebouwd moeten worden. Dat stuit vaak weer op milieubezwaren. Een aantal maatregelen dat het kabinet van plan is te nemen om deze problemen aan te pakken, is:

  • Verlaging van de verhuurderheffing voor grote verhuurders (waaronder woningcorporaties). Door 1 miljard euro minder aan verhuurderheffing te budgetteren, zou dat geld vrij moeten komen voor de bouw van betaalbare woningen.
  • Regels voor “scheefwoners” veranderen. Scheefwoners is een benaming voor mensen met een relatief hoog inkomen, die nog wonen in een sociale huurwoning. De inkomensgrens gaat omhoog naar € 42.000 (voor meerpersoonshuishoudens), omdat lage middeninkomens nu vaak tussen wal en schip belanden. Hun inkomen is te hoog voor sociale huur, maar een woning kopen kunnen zij ook niet op basis van dit inkomen. Als het inkomen echter hoger is dan de inkomensgrens, dan mag de verhuurder een extra huurverhoging geven. Dat moet doorstroming bevorderen.
  • Voor het oplossen van specifieke knelpunten in en rondom grote steden, wordt ook 1 miljard euro uitgetrokken. Via de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) wordt een oplossing gezocht voor het op lange termijn duurzaam kunnen wonen in de grote stadsregio’s.

Starters
Het kabinet denkt na over mogelijkheden om het starters makkelijker te maken een huis te kopen.  Het gaat met name over mogelijkheden die starters een betere positie geven ten opzichte van beleggers die huizen kopen om te verhuren. Er wordt gedacht aan:

  • Afschaffing van de overdrachtsbelasting voor starters en verhoging van de belasting voor beleggers. De maatregel moet wel effectief en uitvoerbaar zijn.
  • Een plicht tot zelfbewoning voor kopers. Onderzocht moet worden of deze maatregel wettelijk mogelijk is.
  • Strengere regels voor het verkrijgen van een hypotheek voor huurwoningen. Door de maximale loan-to-value voor de buy- to-let hypotheken te begrenzen, kunnen beleggers minder lenen voor de koop van een huurwoning.

NHG
Nationale Hypotheek Garantie (NHG) wil de kostengrens voor aankoop per 1 januari 2020 ook laten gelden bij oversluiten. De minister zal in november laten weten of hij dit voorstel goedkeurt.

Overdrachtsbelasting niet-woningen
Het tarief van de overdrachtsbelasting voor niet-woningen wordt waarschijnlijk per 2021 verhoogd van 6% naar 7%. Dit is een budgettaire maatregel en heeft niets te maken met de voorstellen die starters meer mogelijkheid geven tot de koop van een woning. Op dit punt moeten nog wetsvoorstellen komen.

Al bestaande aanpassingen
In 2020 is rente over een eigenwoningschuld nog maximaal aftrekbaar tegen 46,0% en de jaren daarna daalt het maximale aftrektarief tot 37,1%.

Het eigenwoningforfait wordt in 2020 verlaagd naar 0,6% van de WOZ-waarde voor woningen tot een waarde van € 1.080.000. Tot 2023 gaat dit tarief verder omlaag gaan.

Vermogen
De heffing vindt over 2020 per belastingplichtige als volgt plaats:

Schijf Heffingvrij vermogen Rendement per schijf (afgerond) Marginaal heffingspercentage (afgerond)
€             0 €      72.797 € 30.846 1,80% 0,540%
€     72.797 € 1.005.572   4,22% 1,266%
€ 1.005.572     5,33% 1,599%

Fiscale partners mogen op grond van artikel 2.17 lid 2 Wet IB 2001 het vermogen in box 3 naar eigen inzicht onder hen beiden verdelen, ongeacht van wie dit vermogen is. Hierdoor kan de progressieve heffing in box 3 worden afgezwakt.

Voorbeeld
Koen en Esther zijn gehuwd. Zij hebben € 800.000 aan spaargeld. Zij hebben geen ander vermogen in box 3.

Wanneer zij het box 3-vermogen 50%-50% aan elkaar toerekenen zijn Koen en Esther in 2020 in box 3 € 8.295 aan belasting verschuldigd. En dat bij een rentebate van nagenoeg nihil op het spaargeld.

Het is dan ook een gerechtvaardigde vraag of de vermogensrendementsheffing op stelselniveau niet in strijd is met artikel 1 EP EVRM. De Hoge Raad heeft hierover een reeks van arresten gewezen. Het laatste arrest is van 14 juni 2019. Hierin is geoordeeld dat de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM.

Arrest Hoge Raad van 14 juni 2019
De Hoge Raad heeft op 14 juni 2019 uitspraak gedaan in meerdere zaken of de vermogensrendementsheffing op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM. In een van deze zaken heeft belanghebbende in 2014 € 1.911 rente ontvangen en heeft hij een box 3-inkomen van € 2.987. Belanghebbende is van mening dat de vermogensrendementsheffing op spaarsaldi op stelselniveau in strijd is met artikel 1 EP EVRM. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld. 

De Hoge Raad oordeelt dat voor de jaren 2013 en 2014 op stelselniveau het door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde (nominale) rendement van 4% onhaalbaar was voor belastingplichtigen zonder het lopen van (veel) risico. Dit rendement was op Nederlandse staatsobligaties niet meer haalbaar vanaf 2009, op spaarrekeningen vanaf 2001 en vanaf 2010 op (termijn)deposito’s. De vermogensrendementsheffing is dan ook op stelselniveau in strijd met artikel 1 EP EVRM.

Omdat volgens de Hoge Raad een dergelijke schending op stelselniveau gepaard gaat met een rechtstekort waarin niet kan worden voorzien zonder op stelselniveau keuzes te maken, die niet voldoende duidelijk uit het stelsel van de wet zijn af te leiden, verbindt de Hoge Raad hier echter geen verdere gevolgen aan. De Hoge Raad laat de uitspraak van het hof daarom vervolgens in stand.

De Staatssecretaris van Financiën heeft op 6 september 2019 een voorstel tot wijziging van de heffing in box 3 aangekondigd met als doel om met name belastingplichtigen met spaargeld te ontzien.[6] Voor een verdere inhoudelijke uitwerking van deze brief wordt verwezen naar de bijdrage van Van den Belt in VfP 2019/10.

Verder heeft de Tweede Kamer besloten om advies te vragen aan de parlementair advocaat over de vermogensrendementsheffing in box 3.[7]

In de volgende voorbeelden zal een vergelijking van de voorgestelde nieuwe systematiek met de huidige systematiek worden gemaakt.

Rekenvoorbeeld 1
Ties en Sanne zijn gehuwd en hebben op 1 januari in box 3 de volgende vermogensbestanddelen:

  • Vakantiewoning met een WOZ-waarde van € 250.000 en een financiering van € 125.000.
  • Spaargelden: € 120.000.
  • Aandelen en obligaties: € 250.000.
  • Vorderingen € 150.000.

Wanneer zij het box 3-vermogen 50%-50% aan elkaar toerekenen zijn Ties en Sanne in 2020 rekening houdend met de zogenoemde schuldendrempel van artikel 5.3 lid 3 Wet IB 2001 van € 6.200 (2019) in box 3 een bedrag van € 6.410 aan belasting verschuldigd. In de voorgestelde nieuwe systematiek is dat:

  • Forfaitair inkomen spaargeld: € 120.000 * 0,09% =  € 108
  • Forfaitair inkomen overige bezittingen: € 650.000 * 5,33% = € 34.645
  • Af: forfaitaire debetrente: € 125.000 * 3,03% = €  3.788
  • Af: heffingvrij inkomen:  €  800
  • Belastbaar inkomen box 3:  € 30.166

Bij een tarief van 33% zijn Ties en Sanne dan € 9.955 verschuldigd.

In dit voorbeeld wordt er in de voorgestelde nieuwe heffingssystematiek over het vermogen mogelijk € 9.955 -/- € 6.410 = € 3.545 meer geheven. Een toename van de belastingdruk van ongeveer 55%.

Rekenvoorbeeld 2
Rick en Brigit zijn gehuwd en hebben op 1 januari in box 3 een effectenportefeuille (aandelen en obligaties) van € 250.000.

Wanneer zij het box 3-vermogen 50%-50% aan elkaar toerekenen zijn Rick en Brigit in 2020 in box 3 een bedrag van € 1.327 aan belasting verschuldigd. In de voorgestelde nieuwe systematiek is dat:

  • Forfaitair inkomen spaargeld: € 0 * 0,09% = € 0
  • Forfaitair inkomen overige bezittingen: € 250.000 * 5,33% = € 13.325
  • Af: forfaitaire debetrente: € 0 * 3,03% =  € 0
  • Af: heffingvrij inkomen: € 800
  • Belastbaar inkomen box 3: € 12.525

Bij een tarief van 33% zijn Rick en Brigit dan € 4.133 verschuldigd.

In dit voorbeeld wordt er in de voorgestelde nieuwe heffingssystematiek over het vermogen mogelijk € 4.133 -/- € 1.327 = € 2.806 meer geheven. Een toename van de belastingdruk van ruim 200%.

Conclusie
In situaties van (met name de wat minder grote) vermogens met overige bezittingen en/of schulden gaat de belastindruk omhoog. Opgemerkt dient nog te worden, dat vooralsnog onduidelijk is of de schuldendrempel zal vervallen. Dat zou wellicht logisch lijken, maar het is niet opgenomen in de brief van 6 september 2019. De staatssecretaris heeft aangegeven dat in een nadere uitwerking (voorjaar 2020) van het wetsvoorstel de gevolgen voor verschillende groepen belastingplichtigen nader in kaart zullen worden gebracht.

Varia


Wet afschaffing fiscale aftrek scholingsuitgaven
In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om de fiscale aftrek voor scholingsuitgaven af te schaffen. In de plaats van deze aftrekpost komt een vervangende regeling: de subsidieregeling STAP-budget (Stimulans van de Arbeidsmarktpositie) voor natuurlijke personen met een band met de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit wetsvoorstel treedt in werking op een bij Koninklijk Besluit te bepalen tijdstip.

Transitievergoeding
In de Wet arbeidsmarkt in balans geregeld dat werknemers vanaf het begin van de arbeidsovereenkomst recht hebben op een transitievergoeding. De aan de transitievergoeding verbonden voorwaarde dat de arbeidsovereenkomst tenminste 24 maanden moet hebben geduurd vervalt.

Het kabinet wil dat iedereen blijft leren en zich verder ontwikkelt tijdens het werkende leven; dat vraagt om investeringen. Om werkgevers te stimuleren kunnen zij opleidingskosten die hun medewerkers maken voor een opleiding voor een andere functie binnen hetzelfde bedrijf aftrekken van de transitievergoeding. Minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dat de regels op 1 januari 2020 gaan gelden.

Wetsvoorstel pensioenverdeling bij scheiding
Dit voorstel is op 16 september 2019 ingediend en ziet op het veranderen van de Wet Verevening Pensioenrechten bij Scheiding (WVPS) naar de Wet Pensioenverdeling bij Scheiding 2021.[8]

Het voorstel is dat tijdens de huwelijkse periode opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen automatisch in de verhouding 50%-50% worden verdeeld tussen partners. Bij beiden ontstaat dan een zelfstandig recht op dat ouderdomspensioen. Nu is het nog zo dat dit zelfstandige recht (‘conversie’) moet worden aangevraagd binnen 2 jaar na de scheiding. Dat wordt dus de standaard.

Na inwerkingtreding verdelen pensioenuitvoerders de pensioenen automatisch zodra zij vanuit de Basisregistratie Personen (BRP) een melding van een scheiding krijgen.

De ex-echtgenoot heeft nu nog recht op het volledige opgebouwde partnerpensioen tot de datum van scheiden in de vorm van een bijzonder partnerpensioen. Onder de nieuwe wet wordt dat een zelfstandig recht op 50% van de tijdens de huwelijkse periode opgebouwde partnerpensioen, dat vervolgens wordt omgezet in een aanspraak op ouderdomspensioen.

Het blijft ook mogelijk om in de huwelijkse voorwaarden of in het echtscheidingsconvenant af te spreken om van pensioenverdeling af te zien. Ex-echtgenoten kunnen, in onderling overleg, ook van deze regels afwijken.

Vennootschapsbelasting

Aanpassing tarieven aanmerkelijk belang en in de vennootschapsbelasting
Voorgesteld wordt om de in het Belastingplan 2019 opgenomen verlaging van het tarief voor de tweede schijf (vanaf € 200.000 belastbare winst) in de vennootschapsbelasting voor 2020 van 25% naar 22,55% niet door te laten gaan. Het tarief blijft voor 2020 derhalve 25%. Voor 2021 wordt de verlaging beperkt tot 21,7% in plaats van een verlaging tot 20,5%.

In onderstaande tabel is weergegeven hoe voor de DGA de gecombineerde belastingdruk van vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing en het nettorendement zich dan tot 2021 ontwikkelen.

  2019 2020 2021
Vpb-tarief 1e schijf 19,00% 16,50% 15,00%
Vpb-tarief 2e schijf 25,00% 25,00% 21,70%
       
Tarief box 2 (Ab) 25,00% 26,25% 26,90%
       
Gecombineerd: 1e schijf Vpb 39,25% 38,42% 37,87%
Gecombineerd: 2e schijf Vpb 43,75% 44,69% 42,76%
       
       
Nettorendement 1e schijf Vpb 60,75% 61,58% 62,13%
Nettorendement 2e schijf Vpb 56,25% 55,31% 57,24%

De verlaging in 2021 naar 21,7% is overigens nog niet zeker. Het kabinet geeft aan deze verlaging mogelijk terug te draaien wanneer de loonontwikkeling bij bedrijven achter blijft.

Indien ook vanaf 2021 het tarief voor de tweede schijf 25% zou blijven, bedraagt de gecombineerde belastingdruk van vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing ongeveer 45,15%. Dit betekent voor de DGA derhalve een nettorendement in de tweede schijf van 54,85%.

Opvallend is het grote verschil tussen de eerste en de tweede schijf. Met name voor het jaar 2020, maar eigenlijk ook voor latere jaren. Het is derhalve verstandig om na te gaan of hiervan gebruik kan worden gemaakt. Denk aan de mogelijkheid om een fiscale eenheid pas later in te laten gaan of om deze (eerder) te verbreken. Op die manier worden winsten aan twee of meerdere vennootschappen toegerekend, waardoor er meerdere malen van het lage tarief van de eerste schijf gebruik kan worden gemaakt.

Beperking liquidatie- en stakingsverliesregeling in de vennootschapsbelasting
Op basis van de huidige regelingen in de vennootschapsbelasting is het voor Nederlandse bedrijven mogelijk om verliezen op buitenlandse activiteiten in Nederland in aftrek te brengen. Worden de activiteiten in het buitenland gedreven door middel van een deelneming in een buitenlandse vennootschap, dan komt een eventueel verlies in Nederland in aftrek bij liquidatie van die buitenlandse vennootschap (de liquidatieverliesregeling). Wanneer de activiteiten worden gedreven door middel van een buitenlandse vaste inrichting, dan wordt het verlies in aanmerking genomen bij staking van de activiteiten van de vaste inrichting (de stakingsverliesregeling).

De aftrekbaarheid van een liquidatie- of stakingsverlies zal echter naar verwachting worden beperkt. Het kabinet geeft in de Aanbiedingsbrief Pakket Belastingplan 2020 namelijk aan een eerder door GroenLinks, SP en PvdA ingediend initiatiefwetsvoorstel in hoofdlijnen te willen volgen.

In dit wetsvoorstel is de aftrek nog slecht toegestaan voor belangen van meer dan 25% in vennootschappen gevestigd in EU/EER-landen. In niet-EU/EER-situaties en voor belangen van 25% of minder maar 5% of meer, blijft een liquidatieverlies aftrekbaar tot maximaal een bedrag van

€ 1.000.000. Daarnaast kan het liquidatieverlies slechts in aanmerking worden genomen indien de vereffening van de deelneming binnen drie jaar na staking of het besluit daartoe wordt voltooid. Soortgelijke bepalingen gaan ook gelden voor de staking van een vaste inrichting.

De voorgestelde inwerkingtreding is 1 januari 2021, met drie jaar overgangsrecht voor latente liquidatieverliezen van vóór 1 januari 2021.

Overig
Vanaf 2020 geldt dat er geen belastingrente is verschuldigd als de aangifte vennootschapsbelasting wordt ingediend vóór 1 juni van het jaar volgend op het belastingjaar. 

In bepaalde gevallen kunnen ondernemers nu korting krijgen als zij de vennootschapsbelasting in een keer betalen. Deze betalingskorting blijft in 2020 gehandhaafd, maar wordt per 1 januari 2021 afgeschaft.

De innovatiebox is ingevoerd om innovatief onderzoek door ondernemers fiscaal te stimuleren. Alle winsten, die worden behaald met deze innovatieve activiteiten, vallen in deze box. Het vennootschapsbelastingtarief voor deze winsten is 7%. In 2020 blijft dit ongewijzigd, maar in 2021 stijgt het percentage naar 9%. 

Investeringsfonds
Het kabinet doet onderzoek naar de vorming van een fonds met mogelijk 50 miljard euro. Dat fonds zou de groei of ontwikkeling van de Nederlandse economie in stand houden. Het fonds moet ‘verstandige’ investeringen voeden die goed zijn voor de economische groei op de lange termijn. Het streven is dat vanuit het fonds op de lange termijn tientallen miljarden euro’s beschikbaar komen voor publieke investeringen. Op de korte termijn zal het gaan over enkele miljarden. Het kabinet wil graag vaart maken zodat snel met de eerste investeringen kan worden gestart, maar hecht ook waarde aan zorgvuldigheid. De ambitie is om de eerste uitgaven in de komende paar jaar te doen. De exacte omvang van het fonds is niet bekend. Begin 2020 rapporteren de ministers van Economische zaken en Financiën aan de Kamer wat er gaat gebeuren.[9]

Sociale zekerheid
Er is weinig groot nieuws op het gebied van sociale zekerheid. De huidige belangrijkste Sociale Zekerheidswetten, zoals Anw, WIA en WW, veranderen niet voor de werknemer.

De wel geschetste plannen zijn mede ingegeven door het idee dat de verschillen tussen werknemers en zelfstandigen verkleind moet worden. Door de inkomstenbelasting voor werknemers te verlagen en die van zelfstandigen (meestal) niet, zou een zelfstandige meer gestimuleerd worden om in loondienst te gaan werken. Daarnaast zien vakbonden zelfstandigen in veel gevallen als ‘oneerlijke concurrenten’ van werknemers, omdat een werkgever minder kwijt is aan inhuur van zelfstandigen dan aan werknemers. Door zelfstandigen te ‘dwingen’ hun tarieven te verhogen, wordt hun aantrekkelijkheid kleiner.

Overige globale punten binnen de Sociale Zekerheid zijn:

  • In 2020 treedt de Wet arbeidsmarkt in balans grotendeels in werking. Die heeft mede tot doel het verschil tussen flexibele en vaste arbeidskrachten te verkleinen
  • Bepaalde subsidies voor jeugdigen en werkenden voor mensen met een beperking of met een minimumloon, worden verlaagd
  • De WW-premie die een werkgever moet afdragen, wordt mede afhankelijk van de verhouding vaste en flexibele contracten met werknemers
  • Met de aanpak Leven Lang Ontwikkelen moeten mensen vitaal, flexibel en duurzaam inzetbaar zijn en blijven op de arbeidsmarkt. Daarvoor komen leer- en ontwikkelbudgetten beschikbaar. Voor werkgevers heeft dat wel veel impact, omdat de fiscale aftrek van scholingsuitgaven verdwijnt
  • Ook het programma “Preventie Beroepsziekten” moet meehelpen aan het voorkomen van uitval door ziekte en dus meer duurzame inzetbaarheid van werkenden
  • Er blijft een focus op het voorkomen van problematische schulden
  • Het Pensioenakkoord wordt nader uitgewerkt
  • Via “Het Breed Offensief” wil het kabinet meer mensen met een arbeidsbeperking aan werk helpen. Ook komt er een meer gerichte aanpak om migranten met een niet-westerse achtergrond aan werk te helpen, omdat die nu nog vaak werkloos blijven

Ten slotte
Hoewel alle regelingen nog wet moeten worden is het voor de financieel planner goed om met de klant de verwachte gevolgen te bepreken. We kunnen ervan uitgaan dat het wetsvoorstel ‘excessief lenen bij de BV’ wordt aangenomen. Het kan dus handig zijn om dit jaar (gelet op het nog lage ab-tarief) dividend uitkeringen te doen.

Pensioenfondsen schrijven hun pensioengerechtigden aan om kleine pensioenen af te kopen. Moet dat in 2019 of kan dat tegen een lager tarief in 2020? Dit zijn maar twee van de vele voorbeelden waarover met een klant gesproken kan worden.

Nog helemaal niet genoemd is de verwachte evaluatie complexiteit eigenwoningregeling’. Deze evaluatie wordt (waarschijnlijk door de staatsecretaris van financiën) in december 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. Het ligt voor de hand dat ingrijpende vostellen worden gedaan over de positie van de eigen woning in het belastingstelsel. Het huidige kabinet zal deze voorstellen niet meer invoeren, maar tot gespreken met klanten zal zullen deze voorstellen zeker leiden.


[1] Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belastingplan.

[2] Nibud, zie ook https://www.nibud.nl/beroepsmatig/koopkracht-2019-2020-de-belangrijkste-veranderingen/.

[3] O.a. in het interview in de Telegraaf van 23 september 2019.

[4] Lonen gaan sneller stijgen dan CPB verwacht, Financieel Dagblad, 11 september 2019.

[5] Wijziging van enkele wetten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede enkele wetten van andere ministeries (Verzamelwet SZW 2020).

[6] Brief Staatssecretaris van Financiën 6 september 2019. Methodiek box 3 vanaf 2022

[7] De parlementair advocaat is in 2005 ‘in het leven’ geroepen door de Tweede Kamer. De Landsadvocaat bestond al, maar bij een parlementair onderzoek kan dezelfde advocaat niet ook nog eens voor de Tweede Kamer optreden, in verband met conflicterende belangen. De Tweede Kamer heeft sinds 2005 een eigen parlementair advocaat. Deze advocaat wordt ingezet bij parlementaire onderzoeken, enquêtes en om de Tweede Kamer te adviseren bij juridische zaken, De advocaat is werkzaam bij De Brauw Blackstone Westbroek. Zie voor de brief van de Tweede Kamer: https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2019Z17987&did=2019D37403.

[8] Het wetsvoorstel is te vinden op https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/wetsvoorstellen/detail?id=2019Z17294&dossier=35287.

[9] Antwoorden Miljoenennota 2020, vraag 24, https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2019/09/27/1antwoorden-miljoenennota-2020.