Wetgeving 2017

Gepubliceerd in VfP 2017/2

In mijn bijdrage in VfP 2016/10 heeft u een overzicht gehad van de belangrijkste wetsvoorstellen. Na die tijd is er in de parlementaire behandeling in Tweede en Eerste Kamer veel gebeurd. De belangrijkste aanpassingen in de wet heeft u al kunnen lezen in de vele nieuwsbrieven die begin januari zijn verschenen.  In deze bijdrage wordt een aantal minder bekende, maar voor de adviseur wel belangrijke veranderingen, op een rijtje gezet.

Wonen
Binnen het thema wonen zijn er in 2017 niet veel ingrijpende veranderingen. Enkele besluiten zijn in wetgeving omgezet. Denk bijvoorbeeld aan het begrip ‘woning in aanbouw’ en de versoepeling van de ‘tijdsklemmenproblematiek’. Met betrekking tot dit laatste onderwerp vindt nog verder overleg plaats tussen het Ministerie van Financiën, de AFM en het Verbond van Verzekeraars. Hierbij wordt gesproken over de mogelijkheden om de tijdsklemmen in alle gevallen te laten vervallen.

Bespreek, als adviseur, met de klant heel goed de gevolgen van het vervroegd laten expireren van een kew, sew of bew. Uiteraard kan de eigenwoningschuld daarmee worden afgelost (denk wel aan eventuele maximale extra aflossingen), maar het is de vraag of de klant daar dan ook altijd goed mee wordt geadviseerd. 

Extra verhoogde schenkingsvrijstelling

In 2014 was het mogelijk onbelast € 100.000 te schenken ten behoeve van de eigen woning. Sinds 1 januari 2015 is deze extra vrijstelling vervallen. In 2017 is deze echter weer verhoogd voor iedere ontvanger tussen de 18 en 40 jaar, mits hij de schenking benut voor de eigen woning. De schenking mag bovendien worden gespreid over 3 opeenvolgende kalenderjaren.

Er geldt wel een ingewikkelde overgangsregeling. Ontvangers van een schenking die al eerder een schenking hebben gekregen, kunnen hierdoor worden gekort op de vrijstelling.[1]

Wijzigingen Wet Waardering Onroerende Zaken (WOZ)

Per 1 oktober 2016 zijn enkele wijzigingen van de Wet WOZ en de Kadasterwet in werking getreden. De wetswijziging is bedoeld voor de beoogde verruiming van de openbaarheid van de WOZ-waarde.

Woningbezitters kunnen hierdoor in beginsel sinds 1 oktober 2016 via een website de WOZ-waarde van hun huis vergelijken met andere woningen in de buurt.[2] Nog niet alle gemeenten zijn aangesloten bij het register. In de loop van 2017 moet iedereen inzage kunnen krijgen in alle WOZ-waarden van woningen.

Onderhoud monumentenpand

Het wetsvoorstel om met ingang van 1 januari 2017 de aftrek van onderhoudskosten af te schaffen, heeft het niet gehaald. Er wordt echter nog wel verder op gestudeerd, zodat afschaffing per 1 januari 2018 tot de mogelijkheden blijft behoren. Informeer dan ook bij uw klanten, die een monumentenpand bezitten (als hoofdverblijf, als tweede woning of verhuur), of zij van plan zijn onderhoud te plegen. Wellicht is het mogelijk om dat onderhoud naar 2017 te halen.

Hypothecair krediet

Voor hypothecaire kredieten geldt dat de maximale lening ten opzichte van de waarde van de woning jaarlijks daalt. In 2017 mag nog maximaal 101% van de waarde van de woning worden geleend (behoudens uitzonderingen). Dat is minder dan nodig is om een woning aan te kopen. Huizenkopers moeten daarom eigen geld inbrengen. Sommigen hebben geen eigen geld, en willen het tekort consumptief bijfinancieren. De AFM vindt het onwenselijk dat mensen het benodigde extra geld lenen via een consumptief krediet.[3] Daarom is afgesproken dat een adviseur altijd navraagt wat het doel is van een gewenste lening. Als het doel is om (de kosten van het verkrijgen van) een woning te financieren, dan gelden daarom de regels voor een hypothecair krediet. 

Perspectiefverklaring

Om het toetsinkomen vast te stellen van iemand die een hypothecair krediet wil afsluiten, vraagt de geldgever vaak om een werkgeversverklaring. Voor flexwerkers of uitzendkrachten kan dit leiden tot een vertekend beeld van de werkelijke inkomsten of het arbeidsperspectief van die flexwerker.

Daarom maken steeds meer geldgevers gebruik van de perspectiefverklaring. Deze verklaring is ontwikkeld door de Vereniging Eigen Huis, Randstad en Obvion.[4]

De verklaring geeft een verwachting over de arbeidsmarktpositie van de flexwerker. Daarbij wordt rekening gehouden met het toekomstperspectief (op basis van onder meer vaardigheden, ervaringen en opleidingen). Hierdoor kan de perspectiefverklaring bijvoorbeeld stellen dat de flexwerker zijn huidige inkomen zal houden. De geldgever houdt dan het huidige inkomen als toetsinkomen aan (in plaats van een gemiddelde van de afgelopen 3 jaar, zoals nu vaak het geval is).

Vermogen

Het forfaitaire rendement op vermogen wordt vanaf 2017 anders vastgesteld dan in de jaren van 2001 tot en met 2016. Tot en met 2016 werd uitgegaan van een rendement van 4% over het vermogen, dat tegen 30% werd belast. Vanaf 2017 wordt uitgegaan van een rendement op vermogen dat afhankelijk is van de hoogte van dat vermogen. Het uitgangspunt daarbij is dat hoe hoger iemands vermogen is, des te groter het deel is dat belegd wordt. Omdat beleggen een hoger rendement zou opleveren dan sparen, wordt het rendement voor hogere vermogens geacht ook hoger te zijn.

Het rendement op sparen wordt gesteld op 1,63%. Het rendement op beleggen wordt gesteld op 5,39%. Er geldt een vrijstelling van € 25.000 (2016: € 24.437) per belastingplichtige. Dat leidt tot de volgende staffels:

Grondslag sparen en beleggen

(na aftrek vrijstelling)

Spaardeel (1,63%) Beleggingsdeel (5,39%) Forfaitair rendement Effectieve belasting (30%)
Tot en met € 75.000 67% 33% 2,87% 0,86%
Van € 75.000 tot en met € 975.000 21% 79% 4,60% 1,38%
Vanaf € 975.000 0% 100% 5,39% 1,62%

 In 2015 en 2016 zijn er verschillende procedures geweest over de vraag of de fictieve berekening van het inkomen uit vermogen niet in strijd is met artikel 1, eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Voor 2010 en 2011 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat dit niet het geval is.[5]

In een versnelde proefprocedure heeft de Rechtbank inmiddels voor 2013 en 2014 ook vastgesteld dat dit niet het geval is.[6] Te verwachten is dat er binnenkort ook uitspraken over 2015 en 2016 komen. Zelf verwacht ik dat de rechter ook deze jaren niet in strijd met art. 1 EP acht. Met name omdat de rechter aan de wetgever tijd geeft om een systeem dat onrechtvaardig zou zijn, aan te passen. En dat is van 2017 gebeurd.

Belangrijker wordt dus de procedure over 2017. Houdt het nieuwe systeem stand? In de uitspraken wordt steeds vergeleken naar een langjarig reële rendement op staatsobligaties. Dit komt door de parlementaire behandeling tijdens de invoering van box 3. Daar werd steeds over dit rendement gesproken. Bij een fictief rendement van 2,87% zie ik voor deze schijf weinig problemen. Zeker als de rente heel langzaam gaat stijgen.

Voor de andere fictieve rendementen lijkt, door de parlementaire behandeling in 2015 meer te worden aangesloten bij reële rendementen van hogere vermogens. Daarmee is de vergelijking met de staatsobligatie (deels) losgelaten. Als de rechter hierin mee gaat, komen de percentages 4,6% en 5.39% niet heel onredelijk voor. Bedenk wel dat de rechter naar de hele groep beleggers kijkt. Dus niet naar een individueel geval die, omdat hij zijn geld snel nodig heeft voor een aanvullend pensioen, dit rendement niet kan halen.

Toekomstvoorzieningen

Verhoging AOW-leeftijd

De AOW-leeftijd wordt in stapjes verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden in 2022. Vanaf 1 januari 2017 is de AOW-leeftijd 65 jaar en 9 maanden. Dat wil zeggen dat iedereen die is geboren na 30 juni 1951 en voor 1 april 1952 in 2017 recht krijgt op AOW.

Verhoging aftoppingsgrens lijfrente- en pensioenopbouw

Sinds 2015 is het inkomen waarover bruto pensioen of een bruto lijfrente opgebouwd kan worden gemaximeerd. Het maximum inkomen waarover bruto lijfrente- en pensioenopbouw mogelijk is, is in 2017 verhoogd tot € 103.317 (2016: € 101.519).

Pensioenopbouw

De opbouwpercentages voor middel- en eindloonregelingen worden per 1 januari 2017 niet verder aangepast en blijven:

  • voor middelloonregelingen maximaal 1,875%.
  • voor eindloonregelingen maximaal 1,657%.

Voor pensioenregelingen waarbij de pensioenleeftijd lager ligt dan 67 jaar, zijn de opbouwpercentages lager.

De AOW-leeftijd wordt vanaf 2022 verhoogd naar 67 jaar en 3 maanden. De komende jaren zal deze AOW-leeftijd naar verwachting verder toenemen. Dit betekent dat er een verschil ontstaat tussen de pensioenrichtleeftijd en de AOW-leeftijd.

Daarom is eind 2016 al besloten de pensioenrichtleeftijd aan te passen naar 68 jaar vanaf 2018. Dit betekent dat volgend jaar de opbouwpercentages zullen wijzigen (lager zullen worden).

Omdat de AOW-bedragen zijn aangepast, wordt de minimale AOW-franchise voor pensioenregelingen van werknemers aangepast. In 2017 zijn de minimale AOW-franchises:

  • Voor een eindloonregeling € 14.850 (2016: € 14.657).
  • Voor een middelloonregeling/beschikbare premieregeling € 13.123 (2016: € 12.953).

Pensioenopbouw met gebruik van de omkeerregeling is bovendien gemaximeerd op € 103.317 (2016: € 101.519). Daarboven is alleen nettopensioen mogelijk (met een vrijstelling in box 3).

Pensioen in eigen beheer (DGA)

Pensioen in eigen beheer wordt in 2017 waarschijnlijk uitgefaseerd, hoewel definitieve stemming over invoering van de wet in elk geval al uitgesteld tot 1 april 2017.
Ook als de uitfasering definitief wettelijk wordt vastgesteld, blijven de aparte AOW-franchises voor de DGA met een pensioen in eigen beheer relevant, zolang dit pensioen niet is afgekocht of wanneer dit is omgezet in een Oudedagsvoorziening. Daarom noemen we ook deze AOW-franchises.

Vanaf 2017 geldt voor pensioen in eigen beheer:

  • Een minimale AOW-franchise van € 21.716 (2016: € 21.441) bij eindloonregelingen.
  • Een minimale AOW-franchise van € 19.191 (2016: € 18.948) bij middelloonregelingen/ beschikbare premie.

Ga, als adviseur niet achterover leunen, om de definitieve regeling voor de uitfasering van het dga-pensioen af te wachten. Bespreek de drie varianten met je klant.[7] Hij kan dan vast een keuze maken, waardoor snel kan worden gehandeld als de uitfasering wordt ingevoerd. Dit zou zelfs per 1 april 2017 al kunnen.

Afkoop kleine pensioenen

De afkoop van een klein ouderdomspensioen bij beëindiging deelneming is mogelijk indien het ouderdomspensioen op reguliere pensioendatum minder zal bedragen dan € 467,89 (2016: € 465,94 per jaar.

Steeds meer werknemers hebben kortlopende contracten met een dergelijk kleine pensioenopbouw tot gevolg, waardoor vaker gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid tot afkoop. De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft daarom aangekondigd het recht op afkoop van kleine pensioenen te willen afschaffen. In plaats daarvan krijgen pensioenuitvoerders die een dergelijk klein pensioen van een werknemer uitvoeren, het recht om dit kleine pensioen over te dragen aan een nieuwe pensioenuitvoerder van die werknemer (ook zonder instemming van die werknemer). De verwachting is dat deze wijziging op 1 januari 2018 in werking treedt.

Verkorting duur WW-uitkering en WGA-uitkering

Sinds 2016 wordt de maximale WW-duur per kwartaal verlaagd. Tot 2016 was de maximale duur nog 38 maanden. Iemand die in het eerste kwartaal van 2017 wordt ontslagen, krijgt nog maximaal 33 maanden WW. Hetzelfde geldt voor iemand die in het eerste kwartaal van 2017 een loongerelateerde WGA-uitkering ontvangt.

Aanpassing Wet Werk en Zekerheid (WWZ)

Sinds 1 januari 2015 is de WWZ (deels) in werking getreden. Een half jaar later zijn andere delen van de wet in werking getreden. Het doel van deze wet was onder meer om het voor werkgevers aantrekkelijker te maken werknemers in vaste dienst te nemen. De wet blijkt echter averechts te werken. De wet is daarom op bepaalde punten aangepast in de loop van 2016. Voor de adviseur is het op dit moment relevant de volgende zaken te weten en zo nodig met de klant te bespreken:

  • Wat de ketenbepaling inhoudt
    Werkgevers kunnen werknemers een tijdelijk contract aanbieden. Na afloop van dat contract, kan worden besloten of er opnieuw een tijdelijk contract wordt aangeboden of niet. Om onzekerheid bij werknemers over verlenging van hun contract weg te nemen, geldt de ‘ketenbepaling’. Dat wil zeggen dat een werknemer automatisch in vaste dienst komt (voor onbepaalde tijd) wanneer:

    • meer dan 3 elkaar opvolgende tijdelijke contracten zijn afgesloten; of
    • langer dan 2 jaar gebruik gemaakt is van elkaar opvolgende tijdelijke contracten.
  • Wat de voorgenomen route voor ontslag is
    Voor werkgevers was er tot 1 juli 2015 soms onduidelijkheid over de te volgen route van ontslag. Sinds 1 juli 2015 zijn er twee mogelijkheden:

    • Ontslagroute via het UWV – dit kan alleen bij ontslag vanwege bedrijfseconomische omstandigheden of vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid
    • Ontslagroute via de kantonrechter – voor alle andere gevallen.
  • Wat de transitievergoeding inhoudt
    Bij ontslag is door invoering van de WWZ vastgesteld op welke ontslagvergoeding een ontslagen werknemer recht heeft. Dit heet sindsdien een transitievergoeding. Werknemers die minimaal 2 jaar in dienst zijn geweest hebben recht op een transitievergoeding (dus ook werknemers met tijdelijke contracten die dan aflopen).
    De hoogte van de transitievergoeding is afhankelijk van het aantal dienstjaren van de ontslagen werknemer. De eerste 10 jaar geldt dat de transitievergoeding 1/3e van het maandsalaris is per gewerkt jaar. Voor de jaren daarboven geldt ½ maandsalaris per dienstjaar. De maximale transitievergoeding is in 2017 € 77.000 (2016: € 76.000).

Zorg
Verplicht eigen risico € 385
In 2017 bedraagt het verplicht eigen risico van de zorgverzekering € 385 (ongewijzigd). Dit eigen risico geldt voor alle verzekerden vanaf 18 jaar.

Wijzigingen zorgtoeslag in 2017
De zorgtoeslag is in 2017 maximaal € 88 (2016: € 83) per maand voor alleenstaanden en € 170 (2016: € 158) voor iedereen met een toeslagpartner. De toeslag vervalt voor alleenstaanden boven een inkomen van € 27.500 en voor partners met een gezamenlijk inkomen boven de € 35.000.

Ook boven een bepaald vermogen geldt dat er geen recht meer bestaat op zorgtoeslag.

Maximum bijdrage-inkomen Zorgverzekeringswet (Zvw) verandert
In 2017 bedraagt het maximum bijdrage-inkomen voor de Zvw op jaarbasis € 53.697 (2016: € 52.763). Het percentage inkomensafhankelijke hoge bijdrage voor de Zvw is gedaald naar 6,65% (2016: 6,75%). Verzekeringsplichtigen (lage bijdrage) zijn in 2017 5,4% (2016: 5,5%) verschuldigd over hun bijdrage-inkomen tot een maximum van € 2.899 (2016: € 2.901). Dit lagere percentage geldt onder meer voor zelfstandigen, AOW’ers, ondernemers en pensioengerechtigden.

Recht op informatie bij incident in zorgverlening

Vanaf 1 januari 2017 moet een zorgaanbieder een cliënt altijd informeren als er iets niet goed is gegaan bij de zorgverlening. Ook moet de zorgaanbieder dit opnemen in het cliëntendossier.

De cliënt kan de informatie van de zorgaanbieder gebruiken als onderbouwing voor een klacht over een arts of zorginstelling. 

Overgangstermijn Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) afgelopen

Vanaf 1 januari 2017 moet elke zorgaanbieder een klachtenfunctionaris hebben.[8] Ook moet elke zorgaanbieder vanaf 1 januari 2017 aangesloten zijn bij een geschilleninstantie. Deze instantie kan in geschillen tussen zorgaanbieders en cliënten bindende uitspraken doen en schadevergoedingen toekennen tot een bedrag van € 25.000.

Vrijstelling eigen risico

Zorgverzekeraars konden al vrijstelling geven voor het eigen risico voor bepaalde gezondheidsprogramma’s, zoals programma’s voor depressie en diabetes. Na 1 januari 2017 hebben zorgverzekeraars de mogelijkheid om deze vrijstelling ook op andere programma’s toe te passen. Het gaat dan om dieetpreparaten of programma’s die gezondheidsproblemen moeten voorkomen. Zorgverzekeraars mogen zelf beslissen of ze het eigen risico voor deze programma’s wel of niet in rekening brengen.

Overgang burgerregelingen van Zorginstituut Nederland naar CAK

Vanaf 1 januari 2017 heeft het CAK een aantal taken overgenomen van Zorginstituut Nederland. Het gaat om de regeling wanbetalers, de regeling onverzekerden, de regeling gemoedsbezwaarden, de regeling onverzekerbare vreemdelingen en de buitenlandregeling.

Eerdere bekendmaking premie

In 2017 zijn zorgverzekeraars verplicht om de nominale premie voor het volgende jaar een week eerder bekend te maken. 12 November is vanaf 2017 de uiterste datum waarop de premie bekend dient te worden gemaakt.

Financieren

Zie voor hypothecaire financieringen onder ‘Wonen’. 

Leennormen consumptief krediet

Bij de beoordeling van de financiële omstandigheden van de consument hanteert de kredietaanbieder de leennorm. De leennorm is het bedrag dat de consument, na aftrek van vaste lasten, voor levensonderhoud ter beschikking moet hebben. De leennormen bieden een waarborg voor verantwoorde kredietverlening. Per 1 januari 2016 zijn de nieuwe leennormen consumptief krediet van kracht geworden. Deze zijn per 1 januari 2017 ongewijzigd gebleven. Het is nog onduidelijk wanneer de VfN de leennormen 2017 gaat vaststellen.

Kredietwaarschuwing

Per 1 juli 2016 gelden de regels van de Nadere regeling gedragstoezicht financiële ondernemingen (Nrgfo) omtrent het opnemen van een waarschuwingszin- en symbool in reclame-uitingen voor krediet. Alle reclame-uitingen moeten deze kredietwaarschuwing hebben, of het nu gaat om tv-reclame, radio, internet of gedrukte media.

Iedere kredietverstrekker moet gebruik maken van de combinatie van de zin: Let op! Geld lenen kost geld, en het symbool. Het gestandaardiseerde format wordt door de AFM verstrekt. Hoe deze kredietwaarschuwing moet worden gebruikt hangt af van het medium.

  • De kredietwaarschuwing moet volledig vermeld worden als het gaat om reclame-uitingen op schrift.
  • De kredietwaarschuwing moet op elke webpagina die een reclame-uiting bevat vermeld staan.
  • De kredietwaarschuwing via de radio (of gesproken website) moet direct aansluitend op de reclame-uiting worden afgespeeld.

Deze uiting is niet van toepassing op een hypothecair krediet, omdat het geld uit dit krediet wordt gebruikt voor de verwerving en/of verbetering van de eigen woning.

Uit onderzoek van de AFM in samenwerking met het ministerie van Financiën is inmiddels gebleken dat de kredietwaarschuwing geen effect heeft op het gedrag en de houding van de consumenten die online een lening afsluiten. Ondanks dit is er wel een groot draagvlak onder de consumenten voor de kredietwaarschuwing. Gebleken is dat 80 procent van de ondervraagden het positief vindt dat de overheid kredietaanbieders verplicht de waarschuwing op te nemen. 

Eisen reclame voor verkoop mobiele telefoons op afbetaling.

Vanaf 1 januari 2017 houdt de AFM toezicht op mobiele telefoons op afbetaling. De mobiele telefoon op afbetaling is immers een vorm van een krediet. Vanaf 1 januari 2017 moet ook bij de verkoop van mobiele telefoons op afbetaling de kredietwaarschuwing worden vermeld. Bovendien moeten de kosten van het telefoonkrediet apart worden vermeld.

Met ingang van 1 mei 2017 moet de telecomaanbieder dit soort kredieten ook aanmelden bij het BKR. Daarnaast moet de telecomaanbieder naast de toetsing bij het BKR ook een leentoets afnemen. 

Private lease

Ook hier is uitgebreid over geschreven in het jaar 2016. Belangrijk is dat private lease overeenkomsten aangemeld worden bij het Bureau Krediet Registratie (BKR). De melding vindt plaats onder de code OA (Operational Autolease). Private lease bestaat uit twee componenten: de financiële component (de aanschafwaarde van de auto) en de service component. Bij de service component moet worden gedacht aan onderhoud, reparatie, verzekeringen, vaste afschrijving en motorrijtuigbelasting. De melding bij het BKR vindt plaats op basis van 65% van de totaalsom. Er vindt een afslag van 35% plaats voor de service component. 

Werkgevers 

Wet tegemoetkomingen loondomein: Lage-inkomensvoordeel (LIV) voor werkgevers

Per 1 januari 2017 is de nieuwe Wet tegemoetkomingen loondomein (Wtl) in werking getreden. Deze wet bestaat uit twee tegemoetkomingen voor werkgevers. Deze hebben tot doel om werknemers, met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, aan werk te helpen.

De twee tegemoetkomingen zijn:

  • Per 1 januari 2017 het Lage-inkomensvoordeel (LIV).
    • Een jaarlijks eenmalige tegemoetkoming in de loonkosten, waardoor de loonkosten voor werknemers die tussen 100-125% van het minimumloon (van een 23-jarige) verdienen, laag bliiven.
    • Aanvraag is niet nodig, de tegemoetkoming over 2017 wordt in 2018 automatisch, o.b.v. de ingediende werknemersloonstaten, door de Belastingdienst uitgekeerd.
  • Per 1 januari 2018 het Loonkostenvoordeel (LKV).
    • Een tegemoetkoming voor werkgevers die oudere werknemers en werknemers met een beperking door ziekte of handicap in dienst nemen.

Voorwaarde om in aanmerking te komen voor de LIV-tegemoetkoming zijn:

  • de werknemer (mag jonger zijn dan 23 jaar) werkt 40 uur per week.
  • de werknemer werkt dat jaar minstens 1.248 uur bij dezelfde werkgever.
  • de werknemer verdient 100-125% van het minimumloon (van een 23-jarige).

De hoogte van de jaarlijkse LIV-tegemoetkoming wordt bepaald door het inkomen dat de werknemer verdient:

  • maximaal € 2000: 100-110 % van het minimumloon.
  • maximaal € 1000: 110-125% van het minimumloon. 

No-riskpolis onbepaalde tijd geldig

Werkgevers die een arbeidsgehandicapte werknemer in dienst nemen, kunnen van de gemeente een no-risk polis krijgen. Met een no-risk polis hoeft de werkgever bij ziekte van de werknemer het loon niet door te betalen. Hierdoor loopt de werkgever minder financieel risico als hij een arbeidsgehandicapte in dienst neemt. De no-riskpolis is sinds 1 januari 2017 voor onbepaalde tijd geldig. Dit was eerst 5 jaar.

Wet Verbetering Hybride markt WGA

Per 1 januari 2017 is de Wet Verbreding Hybride Markt WGA van kracht geworden. Met deze wet wordt de wijze van premiestelling voor Eigen Risicodragers WGA, die terugtreden naar het Publiek Bestel (UWV), aangepast. Tevens regelt de wet een aanpassing van de wijze waarop staartlasten worden gefinancierd.

Bedrijven die kiezen voor het Eigen Risicodragerschap WGA en naar private verzekeraars overstappen, hoeven eventuele staartlasten (bestaande WGA-lasten, ontstaan in het publieke bestel) niet zelf meer te financieren. Bij terugkeer naar het Publiek Bestel worden, bij het vaststellen van de premie óók de WGA-lasten uit het private bestel (de verzekeraar) meegenomen. Daardoor is er geen korte-termijnvoordeel bij teruggang naar het UWV.

De wetgever beoogt met deze wetswijziging dat het premievoordeel, dat door het verschil in financieringswijze tussen het publieke en private bestel kan worden behaald, niet langer centraal staat. Bedrijven zullen zo juist veel meer aandacht besteden aan de wijze waarop effectieve schadelastbeheersing kan worden vormgegeven en uitgevoerd.

Maatregelen tegen schijnconstructie 

Op 1 januari 2017 is, zoals geregeld in de Wet Aanpak Schijnconstructies, het verbod op inhoudingen op het minimumloon in werking getreden. Verrekeningen en inhoudingen op loon waardoor het bedrag beneden het minimumloon uitkomt, zijn niet meer toegestaan.

Op dit verbod gelden wel uitzonderingen:

  • Inhoudingen op kosten voor huisvesting en zorgverzekering. Alleen mogelijk als de werknemer hiervoor een schriftelijke volmacht verleent aan de werkgever.
  • Voor inhoudingen kosten voor huisvesting geldt voorts:
    • Een maximum van 25% van het minimumloon.
    • De huisvesting moet voldoen aan bepaalde vastgestelde kwaliteitsnormen.
  • Inhouding van zorgverzekeringskosten
    • De werknemer moet een kopie van de zorgpolis overleggen.
    • Er geldt een maximum van de geschatte gemiddelde premie.

Voor werknemers  met een arbeidsbeperking gelden daarnaast de extra uitzonderingen:

  • inhoudingen voor nutsvoorzieningen, rioolheffing en waterschapsbelasting.
    • Hierbij geldt geen maximum bedrag of percentage omdat hiermee wordt bereikt dat de belangrijkste vaste lasten voor deze werknemers worden betaald.
    • Alleen mogelijk als de werknemer hiervoor een schriftelijke volmacht verleent aan de werkgever.

Door deze extra uitzonderingen kan worden voorkomen dat deze werknemers bijvoorbeeld schulden krijgen en uiteindelijk in de schuldhulpverlening of schuldsanering komen. 

Overige relevante wijzigingen

  • Op 1 april 2016 is de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (Wet DBA) ingegaan. Vanwege de onduidelijke en onwenselijke gevolgen van de invoering van deze wet, is handhaving van deze wet uitgesteld tot in elk geval 2018. Het arbeidsrecht waarnaar deze nieuwe wet verwijst, is zodanig verouderd, dat onderzocht wordt of dit arbeidsrecht zelf eerst aangepast moet worden, voordat handhaving van de Wet DBA opportuun is.
  • Naast DigiD komt er, na een succesvolle proefperiode, een andere manier van identificatie: iDin. iDIN is een nieuwe dienst van de banken waarmee consumenten zich bij andere organisaties online kunnen identificeren, met de inlogmiddelen van hun eigen bank.
  • Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk mogelijk pensioen op te bouwen via een Algemeen Pensioenfonds (APF). In de loop van 2016 hebben aan aantal partijen een vergunning voor oprichting van een APF aangevraagd bij De Nederlandsche Bank.
    Een APF is een pensioenfonds dat een financieel gescheiden uitvoering van meerdere pensioenregelingen mogelijk maakt (beschikbare premieregelingen, kapitaalovereenkomsten en uitkeringsovereenkomsten). Vrijwel elke partij, behalve een verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfonds, kan zich omvormen tot APF.
  • Vanaf 1 januari 2017 zou de Packaged Retail Investment and Insurance-based investment Products (PRIIP’s verordening) in werking treden. De standaarden van deze verordening zijn echter door het Europese Parlement verworpen. Dit heeft tot gevolg dat de eerder aangekondigde invoering van het Essentiële-informatiedocument (Eid) als vervanger van de Financiële Bijsluiter vooralsnog wordt uitgesteld. In de loop van 2017 zal de AFM hierover na raadpleging met het ministerie van Financiën, meer duidelijkheid geven.
  • De Wet pensioencommunicatie is in 2015 aangenomen. Dat heeft effect vanaf de tweede helft van 2016. Pensioenoverzichten moeten worden aangeboden in het 1-2-3-format. Er zijn dan drie lagen van informatie:
    • Laag 1: de Startbrief vervalt en daarvoor komt een beknopte weergave van de pensioenregeling in de plaats. De deelnemer moet in 5 minuten inzicht krijgen in de hoofdlijnen van de pensioenregeling.
    • Laag 2: is een uitbreiding op laag 1. In een half uur tijd moet de deelnemer meer inzicht kunnen krijgen in zijn pensioenregeling. In beide lagen 1 en 2 moet een duidelijke verwijzing naar het pensioenregister (mijnpensioenoverzicht.nl) worden opgenomen en moeten de contactgegevens van de pensioenuitvoerder makkelijk te vinden zijn.
    • Laag 3: alle informatie uit laag 1 en 2 komt terug in laag 3. Deze laag heeft geen vast format maar bestaat uit allerlei documenten die bij de pensioenregeling horen. Onder meer de pensioenregeling zelf behoort tot de verplichte informatie van laag 3.

Alle 1-2-3-informatie wordt in beginsel digitaal verstrekt. Bij laag 1 gebeurt dit ‘actief’ (binnen 3 maanden). Naar de overige lagen wordt alleen verwezen.

Ook het UPO-model is aangepast naar dit vereenvoudigde communicatiemodel.

  • Risicometer Beleggen NVB: In september 2015 heeft de AFM een leidraad risicowijzer opgesteld. Daar is door de leden van de Nederlandse Vereniging van Banken invulling aan gegeven door de Risicometer Beleggen. Deze risicometer helpt particuliere beleggers bij het onderling vergelijken van verschillende risicoprofielen van beleggingsportefeuilles van de verschillende aanbieders.
    Hoewel toepassing van de Risicometer Beleggen (nog) niet wettelijk verplicht is, moet u deze wel kennen en kunnen uitleggen aan de klant in uw adviespraktijk.[9]
  • Gezondheidsverklaring: Vanaf 1 januari 2017 kunnen levens- en inkomensverzekeraars een aangepast model Gezondheidsverklaring gebruiken dat is ontwikkeld in samenwerking met diverse patiëntenorganisaties en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG). De gemoderniseerde verklaring beoogt meer duidelijkheid te bieden over wat een consument bij het aanvragen van een overlijdens- of aov-verzekering wel en niet moet invullen.
  • Samengaan Letselschade Raad en Stichting Keurmerk Letselschade: De Stichting Keurmerk Letselschade is per 1 januari 2017 opgegaan in De Letselschade Raad http://www.deletselschaderaad.nl/). Hierdoor is er één kwaliteitsstelsel voor dienstverleners in de letselschadebranche: Het Register Letselschade.
  • Verzekeringskaart: Op I januari 2017 is de verzekeringskaart voor alle verzekeraars gaan gelden. Op de sites van de verzekeraars kunt u een aantal voorbeelden van verzekeringskaarten bekijken.[10] Het is goed om, als adviseur, te weten wat er op een verzekeringskaart moet staan.

Tenslotte

In deze bijdrage is een reeks kleinere wijzigingen rond 2017 behandeld. Als adviseur is het niet mogelijk om die allemaal te kennen. Daarmee wordt dit mogelijke en handig naslagwerk.

[1] P.M. Pipping-van der Storm LLM, (Be)ton schenken 2.0 – new and improved?, VfP 2016/2, blz. 17 e.v.

[2] Zie www.wozwaardeloket.nl/.

[3] https://www.afm.nl/nl-nl/consumenten/nieuws/2016/apr/hypotheekkosten.

[4] https://www.eigenhuis.nl/hypotheken/hypotheek-afsluiten/inkomsten-en-uitgaven/hypotheek-en-flexwerk.

[5] Hoge Raad van 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, 10 juni 2016, nr. 14/05020, ECLI:NL:HR:2016:1129 en 25 november 2016, nr. 16/02255, ECLI:NL:HR:2016:2662.

[6] Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 januari 2017, nr. BRE – 16 _ 636 en nr. BRE – 16 _ 637.

[7] Zie de verschillende bijdragen van Drs. M.C.B. Bril Mfp, CPC in VFP van november 2016 en volgende.

[8] https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/kwaliteit-van-de-zorg/vraag-en-antwoord/voorschriften-zorgaanbieders-wet-kwaliteit-klachten-en-geschillen-zorg.

[9] https://www.nvb.nl/thema-s/sparen-lenen-beleggen/5160/risicometer-beleggen.html.

[10] Zie ook https://www.google.nl/search?q=voorbeelden+verzekeringskaarten&espv=2&biw=1280&bih=591&tbm=isch&tbo=u&source=univ&sa=X&ved=0ahUKEwj2tazvt7_RAhVLfRoKHc7tBWUQsAQINg&dpr=1.5