Prinsjesdag 2020 (Belastingplan 2021)

oktober 2020

VfP 2020/10 (met drs. J.H.J. Brauwers)

Op 15 september 2020 heeft het kabinet haar plannen voor 2021 bekendgemaakt. In dit artikel vatten wij voor medewerkers in de financiële dienstverlening de meest relevante onderwerpen van de overheidsplannen samen. De huidige voorstellen kunnen nog wel veranderen.[1] Inmiddels hebben de Algemene beschouwingen plaatsgevonden. De stemmingen in de Tweede Kamer zijn naar verwachting begin november. De Eerste Kamer stemt waarschijnlijk op 7 of 8 december.

Algemene economische ontwikkelingen[2]

De Nederlandse economie groeit weer na het dieptepunt tijdens de lockdown, maar het herstel is verre van volledig. Volgens de meeste indicatoren van economische activiteit was het dieptepunt in april/mei 2020. Met het opheffen van de meeste contactbeperkingen is de economische activiteit weer op gang gekomen. Deels is er mogelijk sprake van inhaal- of substitutie-effecten: zo zijn de detailhandelsverkopen meer dan hersteld. Het herstel is echter zeker niet volledig, de dienstenconsumptie bevindt zich bijvoorbeeld nog altijd ver onder het pre-coronaniveau.

De Nederlandse economie krimpt uiteindelijk voor heel 2020 naar verwachting met 5%. Voor 2021 wordt een groei voorzien van 3,5%. De koopkracht stijgt gemiddeld met 0,8%. Werkenden gaan er het meeste op vooruit (+ 1,2%), maar ook uitkeringsgerechtigden (+ 0,5%) en gepensioneerden (+ 0,4%) zien hun koopkracht stijgen.

De werkloosheid stijgt in 2021 met 5,9% (circa 545.000 personen). Het kabinet benadrukt dat de bovenstaande cijfers onder voorbehoud zijn. Als de ontwikkelingen m.b.t. het coronavirus aanleiding geven tot een nieuwe (intelligente) lockdown, zien de cijfers voor 2021 en de daaropvolgende jaren er aanzienlijk slechter uit. Daarnaast is de koopkracht uiteraard zeer afhankelijk van individuele omstandigheden als bijvoorbeeld ontslag of teruglopende opdrachten (voor ondernemers).

Woningmarkt

De reactie van de woningmarkt op deze crisis is onzeker. Er zal naar verwachting enige afkoeling plaatsvinden. De woningmarkt houdt zich in eerste instantie opvallend goed: de prijzen en het aantal transacties zijn in de eerste helft van het jaar gestegen. De woningmarkt zal zich echter niet volledig aan de crisis kunnen onttrekken en uiteindelijk wel afkoelen. Huishoudens hebben immers minder te besteden en de bevolkingsgroei is lager doordat arbeidsmigranten wegblijven.

Een herhaling van de instorting van de woningmarkt, zoals in de vorige crisis, ligt niet per se voor de hand. De uitgangssituatie is anders, er zijn bijvoorbeeld minder huishoudens met een zeer hoge hypotheek ten opzichte van de waarde van hun huis door strengere leennormen en het fiscaal verplichte annuïtair aflossen. De totale hypotheekschuld ligt ook lager ten opzichte van de omvang van de economie. De bouwproductie ligt bovendien vrij laag als gevolg van een tekort aan arbeidskrachten in de afgelopen jaren en de juridische problemen door pfas- en stikstofnormen.

Belastingplan 2021

In het Belastingplan 2021 zijn relatief weinig nieuwe voorstellen opgenomen. De meest opvallende zijn de aangepaste tariefstructuur in box 3, het wetsvoorstel differentiatie overdrachtsbelasting en een aantal aanpassingen in de vennootschapsbelasting. In deze bijdrage zal hier dan ook uitgebreid aandacht aan worden gegeven.

Algemene belastingmaatregelen

Jaarlijks worden de meeste tarieven, vrijstellingen en dergelijke gecorrigeerd voor inflatie. Dit gebeurt in een beschikking die eind december 2020 wordt gepubliceerd.

Daarnaast zijn in het Belastingplan een aantal andere aanpassingen voorgesteld.

Tarieven box 1

 20202021
Tarief schijf 137,35%37,10%
Tarief schijf 249,50%49,50%
Grens schijf 1€ 68.507€ 68.507

Algemene heffingskorting

Door een extra verhoging van de algemene heffingskorting (artikel 8.10 Wet IB 2001) neemt het besteedbaar inkomen van mensen met een inkomen tot € 68.507 toe.

De algemene heffingskorting is een korting op de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. De hoogte van de korting hangt af van het inkomen, waarbij lagere inkomens meer voordeel hebben dan hogere inkomens.[3] De maximale heffingskorting bedraag € 2.837 (2020: € 2.711).

Arbeidskorting

De arbeidskorting (artikel 8.11 Wet IB 2001) die voor 2022 stond gepland, is vervroegd naar 2021. Met deze heffingskorting betalen werkenden minder belasting. Dit geldt voor werknemers, ondernemers en zelfstandigen.

De maximale arbeidskorting bedraagt in 2021 € 4.205 (2020: € 3.819) bij een inkomen tot maximaal € 35.652 (2020: € 34.954).

Ouderenkorting

De ouderenkorting (artikel 8.17 Wet IB 2001) wordt vanaf 2021 verhoogd. Ouderen met een jaarinkomen tot € 49.000 hebben hier voordeel van. De korting bedraagt maximaal € 1.703 (2020: € 1.622).

Vermogen

Box 3

Het tarief in box 3 wordt van 30% verhoogd naar 31% (artikel 2.13 Wet IB 2001) en het heffingvrije vermogen wordt verhoogd van € 30.846 naar € 50.000 per belastingplichtige (fiscaal partners: € 100.000, artikel 5.5. Wet IB 2001)). Tevens wordt voorgesteld om de beide schijfgrenzen te verlagen naar € 50.000 (2020: € 72.797) respectievelijk € 950.000 (2020: € 1.005.572). Het gehanteerde spaarrendement voor 2021 is 0,03% (2020: 0,07%) en het gehanteerde beleggingsrendement is 5,69% (2020: 5,28%).

De heffing in box 3 vindt over 2021 per belastingplichtige als volgt plaats:

SchijfHeffingvrij vermogenRendement per schijf (afgerond)Marginaal heffingspercentage (afgerond)
€                0€     50.000€ 50.0001,90%0,588%
€       50.000€   950.000 4,50%1,395%
€     950.000  5,69%1,764%

Fiscale partners mogen op grond van artikel 2.17 lid 2 Wet IB 2001 het vermogen in box 3 naar eigen inzicht onder hen beiden verdelen, ongeacht van wie dit vermogen is. Hierdoor kan de progressieve heffing in box 3 worden afgezwakt.

Het voorstel heeft tot gevolg dat belastingplichtigen met een relatief kleiner vermogen in vergelijking met 2020 in 2021 minder vermogensrendementsheffing zijn verschuldigd. Belastingplichtigen met een groter vermogen zijn daarentegen in 2021 meer belasting verschuldigd.

In de tabel is een indicatieve vergelijking weergegeven.

Vermogen box 3 *Heffing 2020**Heffing 2021**
€      50.000€          0€          0
€    100.000€      206€          0
€    150.000€      474€      294
€    250.000€   1.318€   1.286
€    500.000€   4.457€   4.775
€    750.000€   7.597€   8.263
€ 1.000.000€ 10.736€ 11.752
€ 1.250.000€ 13.876€ 15.240
€ 1.500.000€ 17.015€ 18.729
€ 2.000.000€ 23.194€ 25.706
€ 2.500.000€ 30.975€ 34.526
€ 3.500.000€ 46.815€ 52.165
€ 5.000.000€ 70.575€ 78.623

* In de berekening wordt uitgegaan van fiscaal partners.

** Er is sprake van afrondingsverschillen.

In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot aanpassing van box 3 wordt opgemerkt dat het belasten van het werkelijke rendement voor het huidige kabinet het uiteindelijke doel is. Dit doel is echter niet op de korte termijn te realiseren. Om op korte termijn toch een groot deel van de spaarders tegemoet te komen zijn alleen aanpassingen binnen de kaders van het huidige stelsel mogelijk.

Samenloop met inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen

Voor diverse inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen is de grondslag sparen en beleggen in box 3 van belang voor het bepalen van het recht op of de hoogte van bijvoorbeeld een toeslag of een eigen bijdrage aan een zorginstelling. De nieuwe hoogte van het heffingvrije vermogen heeft een ongewenst effect op deze regelingen. Daarom bevat het wetsvoorstel maatregelen om doorwerking van de verhoging van het heffingvrije vermogen in box 3 naar de vermogenstoetsen voor inkomens- en vermogensafhankelijke regelingen en naar eigen bijdragen in het zorgdomein op basis van het vermogen te voorkomen.

Ondernemer/DGA

Afbouw zelfstandigenaftrek IB-ondernemer

In het Belastingplan 2020 is al een afbouw van de zelfstandigenaftrek naar € 5.000 in 2028 geregeld. Om het verschil in fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen te verkleinen wordt in het Belastingplan 2021 voorgesteld om deze afbouw van de zelfstandigenaftrek te versnellen. Dit betekent, dat vanaf 1 januari 2021 de zelfstandigenaftrek van nu € 7.030 tot en met 2027 wordt verlaagd met € 360 per jaar (in plaats van met € 250 per jaar) en per 1 januari 2028 met € 390 (in plaats van met € 280), alsmede in de jaren daarna met € 110 tot uiteindelijk € 3.240 in 2036.

Door de afbouw met € 360 bedraagt de zelfstandigenaftrek in 2021 € 6.670 (artikel 3.76 Wet IB 2001).

Het nadeel van de lagere zelfstandigenaftrek wordt voor een klein deel gecompenseerd doordat de MKB-winstvrijstelling (14%) over een hoger bedrag plaatsvindt. De afbouw van de zelfstandigenaftrek zal overigens maar zeer beperkt van invloed zijn op de keuze voor wel of geen bv.

Daarnaast wordt sinds 2020 het aftrekpercentage van de zelfstandigenaftrek en andere aftrekbare kosten in 4 stappen teruggebracht tot de eerste schijf in de inkomstenbelasting. In 2021 is het aftrekpercentage nog maximaal 43%.

Opgemerkt dient nog te worden dat zelfstandigen en ondernemers ook profiteren van de verhoging van de arbeidskorting (zie hiervoor).

Berekeningswijze kleinschaligheidsinvesteringsaftrek

De kleinschaligheidsinvesteringsaftrek (KIA) is bedoeld om investeringen van relatief geringe omvang te bevorderen. Daarbij is de hoogte van de investeringsaftrek afhankelijk van het jaarlijkse investeringsbedrag.

In het Belastingplan 2021 wordt voorgesteld de berekeningswijze van de KIA te wijzigen voor belastingplichtigen met meerdere ondernemingen en belastingplichtigen die deel uitmaken van een samenwerkingsverband. Voor een deel betreft dit een verduidelijking van de wettekst en voor een deel een wijziging van het uit de arresten van de Hoge Raad van 24 mei 2019 en 1 mei 2020 voortvloeiende recht.

De volgende aanpassingen worden voorgesteld:

  • Volgens de Hoge Raad (arrest van 24 mei 2019)[4] heeft een belastingplichtige, die participeert in een samenwerkingsverband, in de situatie dat de investeringen in een eigen onderneming samen met de investeringen van de andere leden van het samenwerkingsverband recht geven op het maximumbedrag aan KIA, recht op dit maximum. Voorgesteld wordt dat de belastingplichtige alleen recht heeft op een evenredig gedeelte van het maximumbedrag aan KIA voor zijn aandeel in het totaal van de investeringen in het samenwerkingsverband.
  • Volgens de Hoge Raad (arrest van 1 mei 2020)[5] moet bij het bepalen van de KIA in de situatie van een ondernemer met meerdere ondernemingen worden uitgegaan van het totaal aan investeringen in alle ondernemingen. Voorgesteld wordt dat voor het bepalen van de hoogte van de KIA per onderneming alleen wordt uitgegaan van het investeringsbedrag per onderneming van de belastingplichtige en niet van het totaal aan investeringen voor alle ondernemingen van die belastingplichtige tezamen.

Vrijstelling voor de TOGS en de Subsidie vaste lasten (COVID-19)

Een van de (steun)maatregelen die de overheid heeft genomen in het kader van de coronacrisis is de Tegemoetkoming Ondernemers Getroffen Sectoren COVID-19 (TOGS). Op basis van deze regeling kon een gedupeerde onderneming onder voorwaarden aanspraak maken op een tegemoetkoming in de schade die is geleden door de maatregelen ter bestrijding van de verdere verspreiding van het coronavirus.

De TOGS is opgevolgd door de Regeling subsidie financiering vaste lasten MKB COVID-19 (Subsidie vaste lasten). Deze regeling biedt gedupeerde ondernemingen onder voorwaarden een tegemoetkoming voor hun vaste lasten voor een periode van vier maanden. Op basis van de wettelijke fiscale bepalingen behoren de vergoeding die ondernemingen ontvangen op basis van de TOGS en de Subsidie vaste lasten in beginsel tot de winst. Vooruitlopend op wetgeving is in een beleidsbesluit echter al geregeld dat deze vergoedingen niet tot de winst behoren, zodat heffing van inkomsten- of vennootschapsbelasting hierover wordt voorkomen.

De in het Belastingplan 2021 opgenomen maatregel zorgt ervoor dat de ontvangen subsidies geen winst zijn als bedoeld in artikel 3.8 Wet IB 2001.

De tegemoetkoming en de subsidie kunnen in de aangifte inkomstenbelasting worden opgenomen in de rubriek ‘Overige buitengewone baten’ en in de aangifte vennootschapsbelasting in de rubriek ‘Overige vrijgestelde winstbestanddelen’. Op die manier wordt geen inkomstenbelasting (box 1) of vennootschapsbelasting geheven over de tegemoetkoming en de subsidie. Eventuele terugbetalingen van de genoemde tegemoetkomingen en subsidies zijn hierdoor niet aftrekbaar.

Deze bepaling treedt in werking met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2020, aangezien de genoemde tegemoetkoming en de subsidie in het jaar 2020 zijn verstrekt.

Aanpassing tarief in de vennootschapsbelasting

Voorgesteld wordt om de eerste schijf in de vennootschapsbelasting te verlengen van € 200.000 naar € 245.000 in 2021 en naar € 395.000 in 2022. Hiertegenover staat dat de voorgenomen verlaging van het tarief voor de tweede schijf voor 2021 van 25% naar 21,7% niet door gaat. Het tarief blijft voor 2021 derhalve 25%. De daling van het tarief voor de eerste schijf van 16,5% naar 15% gaat wel door.

De verhoging van het aanmerkelijkbelangtarief van 26,25% (2020) naar 26,9% in 2021 gaat eveneens door.

In de tabel is weergegeven wat voor de DGA de ontwikkeling van de gecombineerde belastingdruk van vennootschapsbelasting en aanmerkelijkbelangheffing en het nettorendement in de jaren 2019 tot 2021 is.

 201920202021
Vpb-tarief 1e schijf19,00%16,50%15,00%
Vpb-tarief 2e schijf25,00%25,00%25,00%
    
Tarief box 2 (Ab)25,00%26,25%26,90%
    
Gecombineerd: 1e schijf Vpb39,25%38,42%37,87%
Gecombineerd: 2e schijf Vpb43,75%44,69%45,18%
    
Nettorendement 1e schijf Vpb60,75%61,58%62,13%
Nettorendement 2e schijf Vpb56,25%55,31%54,82%

 Het omslagpunt voor een DGA om het in de bv aanwezige belegbare vermogen na een dividenduitkering in privé te beleggen bedraagt bij een vennootschapsbelastingtarief van 15%: 6,67Vrh (Vrh = marginale vermogensrendementsheffing). Bij een vennootschapsbelastingtarief van 25% is dat 4Vrh.

Het omslagpunt om box 3-vermogen over te hevelen naar box 2 bedraagt bij een vennootschapsbelastingtarief van 15%: 2,64Vrh. Bij een vennootschapsbelastingtarief van 25% is dat 2,21Vrh.

Gezien het verschil van 10% tussen de eerste en de tweede schijf kan het afhankelijk van de omstandigheden een overweging zijn om vennootschappen niet meer in een fiscale eenheid op te nemen en om bestaande fiscale eenheden wellicht (deels) te verbreken.

Fiscale coronareserve

Een van de fiscale maatregelen die in het kader van de coronacrisis is genomen, betreft de fiscale coronareserve in de vennootschapsbelasting. De fiscale coronareserve heeft als doel om de liquiditeitspositie van belastingplichtigen vervroegd te verbeteren. De fiscale coronareserve is op dit moment nog in een beleidsbesluit geregeld.

Belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting mogen het verlies dat in het jaar 2020 wordt geleden verrekenen met de winst die in het jaar 2019 is behaald (artikel 20 lid 2 Wet Vpb). Het gevolg van deze verliesverrekening is dat bedrijven een deel van de vennootschapsbelasting die zij over het jaar 2019 al betaald hebben of nog moeten betalen, op een later moment terugkrijgen. Deze verrekening kan echter pas plaatsvinden bij het indienen van de aangifte vennootschapsbelasting 2020. Dat zal niet eerder dan begin 2021 zijn. Bovendien is vereist dat een definitieve aanslag vennootschapsbelasting is opgelegd over 2019, die meestal nog niet zal zijn opgelegd.

In artikel 12abis Wet Vpb wordt daarom geregeld dat een belastingplichtige het verwachte verlies, dat verband houdt met de coronacrisis, voor het jaar 2020 als fiscale coronareserve ten laste van de winst van het jaar 2019 mag brengen. De fiscale coronareserve bedraagt maximaal de fiscale winst over 2019 zonder rekening te houden met deze reserve. Daarnaast mag de fiscale coronareserve niet hoger zijn dan het te verwachten verlies in 2020 als gevolg van de coronacrisis.

Door de mogelijkheid van het vormen van een fiscale coronareserve kan een teruggave van de eerder over 2019 betaalde en te betalen vennootschapsbelasting door middel van een nadere voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 2019 worden gevraagd.

De fiscale coronareserve wordt in het jaar volgend op het jaar waarin deze reserve is gevormd, volledig in de winst opgenomen.

Voorbeelden uit de memorie van toelichting, blz. 44

Belastingplichtige A heeft in het jaar 2019 – zonder toepassing van de fiscale coronareserve – een winst behaald van € 500.000. In het jaar 2020 wordt hij geconfronteerd met een omzetderving als gevolg van de coronamaatregelen. Hierdoor verwacht hij over dat jaar een verlies van € 650.000. A kan in dit geval in 2019 een fiscale coronareserve vormen voor een bedrag van maximaal € 500.000, aangezien de hoogte van de reserve gemaximeerd wordt op het bedrag van de winst vóór dotatie aan de fiscale coronareserve in het jaar 2019.

Belastingplichtige B wordt in het jaar 2020 geconfronteerd met een omzetderving als gevolg van de coronamaatregelen. Hij verwacht in de periode dat de coronamaatregelen van kracht zijn, een (coronagerelateerd) verlies te lijden van € 250.000. In de periode voordat de coronamaatregelen van kracht waren en in de periode daarna verwacht hij in totaal een winst te maken van € 300.000. B kan derhalve geen fiscale coronareserve vormen, omdat hij per saldo over het jaar 2020 geen verlies verwacht, maar een winst van € 50.000 (€ 300.000 verminderd met € 250.000).

Ondernemers in de inkomstenbelasting

Voor ondernemers in de inkomstenbelasting geldt dat de achterwaartse verliesverrekeningstermijn langer is. Een eventueel verlies kan namelijk worden verrekend met de winst van de drie voorafgaande jaren. Zij hebben dus meer mogelijkheden om in een eerder stadium een verlies uit 2020 te kunnen verrekenen. Voor deze ondernemers komt geen aparte regeling.

Aanscherping renteaftrekbeperking

Voorgesteld wordt om de specifieke renteaftrekbeperking (artikel 10a Wet Vpb), die binnen concernverband grondslaguitholling door renteaftrek beoogt tegen te gaan, aan te passen. Op grond van deze aftrekbeperking worden bij het bepalen van de winst – onder voorwaarden – de renten op schulden aan een verbonden lichaam of verbonden natuurlijk persoon van aftrek uitgesloten.

De voorgestelde wetswijziging bewerkstelligt dat per kwalificerende schuld de specifieke renteaftrekbeperking per saldo niet langer kan leiden tot een lagere winst. Per schuld dient te worden bepaald of het bedrag aan negatieve rente of valutawinst het bedrag aan positieve rente, valutaverlies of kosten overschrijdt. Voor zover dat het geval is, wordt dit saldo niet langer op grond van deze aftrekbeperking buiten aanmerking gelaten bij het bepalen van de winst.

Aanpassing verliescompensatie in de vennootschapsbelasting

De staatssecretaris heeft al aangekondigd dat er een nota van wijziging op het Belastingplan 2021 komt. Deze nota van wijziging betreft onder andere het voorstel tot een in de tijd onbeperkte voorwaartse verliesverrekening (dat is nu 6 jaar voorwaarts) in de vennootschapsbelasting. Daarbij zijn de verliezen (zowel voorwaarts als achterwaarts) echter slechts tot een bedrag van € 1.000.000 aan belastbare winst volledig verrekenbaar. Bij een hogere winst zijn de verliezen slechts tot 50% van die hogere belastbare winst in een jaar verrekenbaar.

Deze maatregel zal naar verwachting per 1 januari 2022 in werking treden.

Wet differentiatie overdrachtsbelasting

Het kabinet wil de positie van starters op de woningmarkt verbeteren. Tegelijkertijd moet het minder aantrekkelijk worden woningen op te kopen, te verbouwen en tegen hoge huren te verhuren. Daardoor wordt het algemene tarief voor de overdrachtsbelasting verhoogd van 6% naar 8%. Het percentage van 8% geldt voor rechtspersonen en particuliere beleggers in woningen en voor de aankoop van niet-woningen.

Starters van 18 tot 35 jaar krijgen vanaf 2021, bij aankoop van hun eerste woning, een vrijstelling van de overdrachtsbelasting. Kopers vanaf 35 jaar blijven, onder voorwaarden, 2% betalen. De vrijstelling loopt in beginsel tot 2026. In het voorjaar 2025 is een evaluatie gepland, waarna wordt vastgesteld of deze wetgeving effectief is.

Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling (voorwaarden 1 t/m 4) of het lage tarief van 2% (voorwaarden 2 en 4) geldt:

  1. De koper is 18 tot 35 jaar. Als één van de kopers 35 jaar of ouder is betaalt deze koper wel 2% overdrachtsbelasting over het deel van de woning waar hij eigenaar van wordt.
  2. De koper koopt een woning.
  3. De koper heeft de vrijstelling voor overdrachtsbelasting niet eerder ontvangen en laat dit vastleggen in een schriftelijke verklaring. Deze verklaring wordt aan de notaris overhandigd. De notaris mag uitgaan van de juist van een dergelijke verklaring, tenzij hij weet dat de verklaring ten onrechte is opgemaakt.
  4. De koper gaat zelf in de woning wonen (het zogenoemde hoofdverblijfcriterium) en laat dit vastleggen in een schriftelijke verklaring. De koper geeft deze verklaring af aan de notaris.

Bij ministeriële regeling zullen nadere regels worden gesteld over de inhoud en de wijze van aanlevering van de schriftelijke verklaringen.

De beoordeling van deze criteria voor de toepassing van de vrijstelling vindt plaats op het moment dat de woning wordt verkregen. Het moment van verkrijging is het moment waarop de akte wordt opgemaakt bij de notaris.

Dit betekent, dat ook verkrijgingen van woningen die niet, of slechts tijdelijk, als hoofdverblijf gaan worden gebruikt, worden belast tegen 8%. Hieronder valt bijvoorbeeld ook de verkrijging van een vakantiewoning, een woning die ouders kopen voor hun kind en verkrijgingen van woningen door niet-natuurlijke personen, zoals rechtspersonen/woningcorporaties.

Leeftijdsgrens

De leeftijdsgrens wijkt af met de leeftijdsgrens die voor de schenkvrijstelling in de Successiewet 1956 ten behoeve van de eigen woning geldt. Voor deze vrijstelling wordt een leeftijdsgrens van 18 tot 40 jaar aangehouden. Het verschil in de leeftijdsgrens is, aldus het kabinet, te verklaren, doordat de startersvrijstelling en deze schenkvrijstelling gedeeltelijk een andere doelgroep beogen te bereiken. De schenkvrijstelling is niet alleen gericht om personen die willen toetreden tot de woningmarkt een steuntje in de rug te geven, maar ook bedoeld voor personen die al een eigen woning hebben en de schenking gebruiken voor de aflossing van de eigenwoningschuld. De startersvrijstelling richt zich alleen op personen die nog geen eigen woning in bezit hebben.

Vereniging van eigenaren

De vrijstelling en het verlaagde tarief is alleen van toepassing op de verkrijging van de economische eigendom als ook de juridische eigendom wordt verkregen van een woning. De verkrijging van een specifiek recht van lidmaatschap van een vereniging of coöperatie, waarin het recht op uitsluitend of nagenoeg uitsluitend gebruik van een woning is inbegrepen, kan wel onder de vrijstelling of het verlaagde tarief vallen. Deze specifieke lidmaatschapsrechten zien bijvoorbeeld op bepaalde lidmaatschapsrechten die een natuurlijk persoon kan verkrijgen in een zogenoemde flat exploitatievereniging.

Jonge doorstromers

Ook verkrijgers die aan alle voorwaarden voldoen, maar al wel voor 1 januari 2021 eerder een woning hebben gekocht (jonge doorstromers), kunnen de vrijstelling toepassen voor de aankoop van een volgende woning. Echter, omdat de aanvullende voorwaarde is opgenomen dat de vrijstelling maar eenmalig kan worden toegepast, zal dit effect iedere jaar afnemen en is na 2039 in het geheel verdwenen, mits de vrijstelling ook na 31 december 2025 wordt gecontinueerd. Op dat moment hebben alle verkrijgers die meerderjarig waren in 2020 en daarmee wettelijk bevoegd waren om een woning te bezitten de leeftijd van 35 jaar bereikt. De vrijstelling zal dan alleen nog gebruikt worden door verkrijgers die voor de eerste keer een woning verkrijgen.

Doorverkoop binnen 6 maanden

Uit het wetsvoorstel blijkt dat, bij doorverkoop binnen 6 maanden, voor de verschuldigde overdrachtsbelasting rekening wordt gehouden met de afgedragen overdrachtsbelasting bij de eerste koop.

Voorbeeld

Peter koopt een woning en draagt 2% overdrachtsbelasting af. Hij verkoopt de woning, door onvoorziene omstandigheden, binnen 6 maanden aan Ivy. Voor haar is het een beleggingspand. Ivy betaalt nu 8% overdrachtsbelasting over de transactieprijs verminderd met de afgedragen overdrachtsbelasting van Peter.

Was Peter een starter geweest en had hij gebruik gemaakt van de vrijstelling, dan had Ivy geen vermindering gekregen.

Controle

De inspecteur beoordeelt achteraf, maar binnen de gebruikelijke naheffingstermijnen, of de verkrijger de woning daadwerkelijk als hoofdverblijf is gaan gebruiken. Op basis van gegevens van het Kadaster woont 96% van de woningkopers die de woning als hoofdverblijf gebruikt binnen 12 maanden in de woning. Na deze 12 maanden kan de inspecteur in de meeste gevallen een goede beoordeling maken of aan de voorwaarden voor toepassing van het verlaagde tarief of de startersvrijstelling wordt voldaan.

Als uit de objectieve gegevens blijkt dat de verkrijger de woning daadwerkelijk anders dan hoofdverblijf is gaan gebruiken, geeft de inspecteur de verkrijger de gelegenheid aannemelijk te maken dat de woning toch is gekocht om als hoofdverblijf te gaan gebruiken.

Ingeval onvoorziene gebeurtenissen redelijkerwijs ertoe leidden dat een verkrijger niet de woning als hoofdverblijf kon gaan gebruiken, wordt de startersvrijstelling en het verlaagde tarief niet teruggenomen. Onvoorziene gebeurtenissen na de verkrijging zijn onder andere het duurzaam verloren gaan van de woning, het overlijden van een verkrijger, echtscheiding van de verkrijgers en het aanvaarden van of het verlies van een baan of emigratie.

Wanneer hier geen sprake van is, wordt alsnog 8% overdrachtsbelasting nageheven. De naheffingsaanslag wordt vermeerderd met belastingrente en kan eventueel met een bestuurlijke boete (maximaal 100%) worden opgelegd.

Voorbeeld uit de memorie van toelichting (blz. 13)

Y (30 jaar) koopt samen met Z (34 jaar) een woning voor een bedrag € 250.000. Beiden verkrijgen op 1 oktober 2021 de onverdeelde helft van de woning en verklaren duidelijk, stellig en zonder voorbehoud in een schriftelijke verklaring dat zij deze woning anders dan tijdelijk als hoofdverblijf gaan gebruiken en dat zij nooit eerder de vrijstelling hebben toegepast. In deze situatie zijn de verkrijgingen van Y en Z met een waarde van elk € 125.000 vrijgesteld van overdrachtsbelasting.

Op 1 november 2021 krijgt Z onverwachts een baan aangeboden in het buitenland voor 3 jaar, welke baan Z aanvaardt. Y en Z vertrekken samen naar het buitenland en houden de verkregen woning aan en verhuren deze gedurende de tijd dat zij in het buitenland zijn. Door deze onvoorziene gebeurtenis na het moment van verkrijging van de woning konden Y en Z de woning niet of slechts tijdelijk als hoofdverblijf gebruiken. De vrijstelling overdrachtsbelasting zal in dat geval niet worden teruggenomen. Wel kan het zijn dat de inspecteur zal vragen aannemelijk te maken dat de verklaring juist is afgegeven, omdat mogelijk niet uit objectieve gegevens kan worden waargenomen dat Y en Z de woning daadwerkelijk zijn gaan gebruiken als hoofdverblijf. Gegeven het aanvaarden van de nieuwe baan in het buitenland, welk aanbod niet bestond op het moment van de verkrijging, zullen Y en Z dit voldoende aannemelijk kunnen maken.

Overige zaken

Levensloopregeling

Op 1 januari 2012 is de levensloopregeling afgeschaft. Voor personen die destijds een levenslooptegoed van ten minste € 3.000 hadden, geldt overgangsrecht tot 1 januari 2022. Als het levenslooptegoed op dat moment nog niet is opgenomen, wordt het niet opgenomen bedrag in een keer in box 1 belast. De ‘loonbelasting’ moet door de werkgever worden afgedragen. In de praktijk lijkt dit niet werkbaar. Daarom is bepaald dat de instelling die de levensloopregeling uitvoert ook de verschuldigde belasting aan de Belastingdienst afdraagt.

Bijdrage zorgverzekeringswet (ZvW)

Over het inkomen uit onderneming wordt een inkomensafhankelijke bijdrage voor de Zorgverzekeringswet geheven. Het tarief wordt verhoogd met 0,3%, van 5,45% in 2020 naar 5,75% in 2021.

Subsidie voor omscholing naar tekortberoepen in het mkb

Verschillende sectoren zijn hard op zoek naar arbeidskrachten, maar kunnen deze moeilijk vinden. Het kabinet stelt in 2021 € 37,5 miljoen beschikbaar voor 10.000 omscholingstrajecten in het mkb. Per traject kan een werkgever € 3.750 subsidie krijgen. Dit is 50% van de gemiddelde kosten van een omscholingstraject voor een werknemer. De werkgever betaalt de overige 50% dus zelf.

Zorg

De maximale zorgtoeslag voor eenpersoonshuishoudens bedraagt € 1.294 (2020: € 1.250). Die van meerpersoonshuishouden wordt € 2.496 (2020: € 2.397).

Het verplicht eigen risico blijft ongewijzigd € 385. De collectiviteitskorting blijft ook in 2021 maximaal 5% (op de basisverzekering).

Ten slotte

Hoewel alle regelingen nog wet moeten worden is het voor de financieel planner goed om met de klant de verwachte gevolgen te bepreken. Mogelijk moet er dit jaar nog actie worden ondernomen. Denk aan een investering in een beleggingspand. Dit jaar geldt nog 2% overdrachtsbelasting (voor woningen).


[1] Een uitgebreid overzicht is te vinden op https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belastingplan.

[2] CPB, Macro Economische Verkenning 2021, https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-economische-zaken-en-klimaat/documenten/rapporten/2020/09/15/macro-economische-verkenning-2021.

[3] Plaatjes zijn overgenomen van: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/belastingplan/belastingwijzigingen-voor-ons-allemaal.

[4] Hoge Raad 24 mei 2019, nr. 18/00135, ECLI:NL:HR:2019:785.

[5] Hoge Raad 1 mei 2020, nr. 19/02419, ECLI:NL:HR:2020:825.