Opbrengst tijdelijke verhuur tuinhuisje onbelast

augustus 2019

Gepubliceerd in NLF 2019/1734, 1 augustus 2019

In deze uitspraak is het hof tot een wonderlijk (onjuiste) conclusie gekomen. Het betreft hier de verhuur van een tuinhuisje via Airbnb voor een periode van 21 dagen. Het ligt voor de hand aan te nemen dat deze dagen verspreid zijn over het jaar. Het hof heeft vastgesteld dat het tuinhuisje voor een periode van 21 dagen, volgens het systeem van de wet, onderdeel is van de grondslag van box 3. Los van het punt dat deze conclusie wetstechnisch niet juist is (zie hierna), leidt deze visie ook tot grote uitvoeringsproblemen. Box 3 heeft als peildatum 1 januari. Tenzij het tuinhuisje toevallig met oud en nieuw is verhuurd, zal het tuinhuisje op 1 januari onderdeel van de eigen woning zijn en daarmee voor het hele jaar in box 1 vallen. Andersom kan ook. In dat geval valt de waarde van het tuinhuisje voor het hele jaar in box 3. Een ander probleem is het vaststellen van de schuld die toe te rekenen is aan het tuinhuisje. Zeker indien annuïtair wordt afgelost. Dit geldt dan ook voor de rente die niet aftrekbaar is in box 1.

Eigen woning en aanhorigheid
Partijen zijn het erover eens dat het gebouwtje, dat deels als schuur en deels als tuinhuisje wordt gebruikt, een aanhorigheid is. Ik deel deze mening. Het tuinhuisje is dienstbaar aan de woning. Steun is te vinden in de uitspraak van het hof Amsterdam, waar een naastliggend pand dat wordt gebruikt als opslagruimte, hobbyruimte en gastenverblijf, ook een aanhorigheid is.[1]

Huurwaardeforfait/eigenwoningforfait
Onder de wet Inkomstenbelasting 1964 is veel parlementaire discussie geweest over het huurwaardeforfait uit het toenmalige artikel 42a Wet Inkomstenbelasting 1964 (de voorloper van het huidige eigenwoningforfait). Het huurwaardeforfait is een netto begrip. De wetgever heeft de (eigen) woning als een bron van inkomen gedefinieerd door de hoogte van alle inkomsten uit de woning, met een bruto huurwaardeforfait vast te stellen. Dit bedrag wordt verminderd met de kosten als onderhoud, verzekeringen, afschrijving, e.d. Hierdoor ontstaat het netto huurwaardeforfait (eigenwoningforfait). Om dit netto bedrag te bepalen is gekozen voor een koppeling met de WOZ-waarde. De wetgever doelt op alle voordelen. Zo is er geen mogelijkheid de forfaitaire regeling te omzeilen door een tijdelijke terbeschikkingstelling van de eigen woning aan derden, met als doel onderhoudskosten in aftrek te kunnen brengen.[2] Dat betekent dat de inkomsten uit de eigen woning meer kunnen zijn dan alleen het woongenot (met een correctie op bestedingsaspect).[3] De Hoge Raad heeft in een tweetal arresten geconcludeerd dat onder het huurwaardeforfait alle voordelen getrokken uit de eigen woning vallen. Dat is inclusief de voordelen voor zakelijke doeleinden (zoals de opbrengsten uit verhuur van een schuur als caravanstalling).[4] Daarmee is een heffing over de opbrengsten uit caravanverhuur niet mogelijk (op grond van artikel 24 Wet IB 1964).

Voor tijdelijke verhuur was er een uitzondering in artikel 42a, lid 8 Wet IB 1964. Denk hierbij aan situaties dat de woning werd verhuurd aan vakantiegangers of in verband met een tijdelijke verhuizing naar het buitenland (expats).

Tijdelijke verhuur
De uitzondering voor tijdelijke verhuur uit de wet IB 1964 is in de Wet IB 2001 beperkt overgenomen. De beperking ziet op het feit dat de hele woning tijdelijk moet worden verhuurd. Rechtbank en hof stellen terecht vast dat in deze casus geen sprake is van tijdelijke verhuur van de hele woning.

Standpunt staatssecretaris over Airbnb
Op 29 augustus 2018 heeft de staatssecretaris in antwoorden op vragen (over deze casus) uit de Tweede Kamer aangegeven dat opbrengsten uit Airbnb belast zijn op grond van artikel 3.313 Wet IB 2001 (tijdelijke verhuur).[5] Ik denk dan ook dat de antwoorden wat voorbarig zijn. In zijn laatste alinea geeft de staatssecretaris aan te wachten op de reactie van het hof. Ik denk dat deze conclusie van het hof hem niet bevalt. Op dus naar de Hoge Raad.

Conclusie
De wetgever heeft bij de invoering van de Wet inkomstenbelasting 2001 aangegeven de behandeling van de eigen woning zoveel mogelijk uit de Wet op de inkomstenbelasting 1964 over te nemen.[6] Dat betekent, naar mijn mening, dat de inkomsten uit Airbnb al zijn belast via het eigenwoningforfait. Daardoor is heffing in box 3 niet meer mogelijk.

Voor de conclusie van het hof dat het tuinhuisje tijdelijk niet ter beschikking staat en dat het daarmee onderdeel van box 3 wordt, vind ik geen enkele steun in de wetsgeschiedenis.

Natuurlijk ligt er ergens een grens van de onbelaste inkomsten uit Airbnb (of soortelijke activiteiten). De grens zal dan meer gezocht moeten worden bij het ondernemerschap,[7] resultaat uit overige werkzaamheden of meer dan normaal vermogensbeheer. Uit de huidige jurisprudentie blijkt dat het lastig is dit aan te tonen.

De laatste mogelijkheid is dat een gedeelte van de woning min of meer permanent wordt verhuurd aan Airbnb gasten. In die situatie staat dat deel van de woning niet meer als eigen woning ter beschikking en verhuist het naar box 3.


[1] Hof Amsterdam 23 maart 2009 nr. 07/00877, ECLI:NL:GHAMS:2009:BO7170.

[2] Kamerstukken II, 1970-1971, 10 790, nr. 7 t/m 9. Zie ook H. Mooij, Het huurwaardeforfait zwart op wit, WFR 1981/481.

[3] MvA, Wet van 19 december 1973, Stb. 631, Kamerstuk 12 601, blz. 11 en Nota naar aanleiding van het eindverslag, blz. 2, Wet van 28 december 1978, Stb. 686, Kamerstuk 15 339.

[4] HR, 4 april 1984, nr. 22 427, ECLI:NL:HR:1984:AW8561 en HR 2 december 1992, nr. 27 896 ECLI:NL:HR:1992:BH8402

[5] Antwoord op Kamervragen: https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2018/08/29/beantwoording-vragen-inzake-airbnb.

[6] Memorie van Toelichting Wet IB 2001, Vakstudie Nieuws BP 21/1.5.

[7] In de situatie dat er al een ondernemerschap is (B&B) zijn de kamers min of meer permanent onttrokken aan de eigen woning en vallen daardoor in box 3 (Hof ‘Den Bosch, 13 oktober 2016, nrs. 15/00753 en 15/00754, ECLI:NL:GHSHE:2016:4603).