Ook een particulier heeft soms een bewaarplicht

Fiscaal Advies 2019/4, blz. 20.

Iedere ondernemer is wettelijk verplicht zijn administratie 7 jaar te bewaren (fiscale bewaarplicht, artikel 52 AWR). Soms is er een langere bewaarplicht (tot 10 jaar), soms een kortere. Particulieren hebben in het algemeen geen bewaarplicht. Zij moeten eventuele aftrekposten echter wel aannemelijk kunnen maken. In het arrest van 19 april 2019 heeft de Hoge Raad beslist dat er een (onbeperkte?) bewaarplicht voor particulieren is met betrekking tot de financiering en verbouwing aan de eigen woning. [1]

De casus
Belanghebbenden hebben hun hypothecaire lening (hierna: de hypotheek) op de eigen woning in 2002 verhoogd met € 17.944 (van € 356.556 naar € 374.500). De belastingdienst heeft de hypotheekverhoging na raadpleging van de stukken geaccepteerd (artikel 3.123 Wet IB 2001). In 2007 zijn belanghebbenden een extra lening aangegaan van € 93.500. De totale hypotheek komt daarmee op € 468.000. Belanghebbenden hebben deze extra lening in hun aangiften (deels) als eigenwoningschuld aangemerkt. De definitieve aanslagen IB/PVV van belanghebbenden over de jaren 2006 tot en met 2009 zijn zonder verdere controle door de inspecteur conform de ingediende aangiften vastgesteld.
Over de aangifte 2010 zijn echter (voor het eerst) de betalingsbewijzen van de rente en kosten van de verbouwing uit 2007 opgevraagd. Belanghebbende heeft toen aangegeven geen bewijsstukken meer te hebben van die verbouwing (artikel 3.123 Wet IB 2001).

Bespreking casus
In deze casus speelt een drietal vragen.

  1. Hoe verhoudt de wettelijke eis uit artikel 3.123 Wet IB 2001 om onderhoudskosten met schriftelijke bescheiden te staven, zich met de afwezigheid van een wettelijke bewaartermijn van gegevens voor particulieren?
  2. Heeft de Inspecteur door het tijdsverloop nog recht om bewijs – de schriftelijke bescheiden van de verbouwingskosten – op te vragen?
  3. Is sprake van schending van het vertrouwensbeginsel omdat de aangiften van 2006 tot en met 2009 wel zijn gevolgd?

Ik bespreek alleen de eerste twee vragen.
Er is geen wettelijke bewaartermijn voor particulieren. Dat betekent echter niet dat een particulier geen bewijsstukken hoeft aan te leveren. Als belanghebbende niet beschikt over schriftelijke bescheiden dan komt dit voor zijn rekening en risico. [2] Belanghebbende moet dus de gevraagde bescheiden aanleveren. Nu dit niet is gedaan voldoet hij niet aan de voorwaarden van artikel 3.123 wet IB 2001.

De tweede vraag is de meest interessante. In alle redelijkheid lijkt het dat er ergens een moment moet zijn dat een particulier niet meer tegen geworpen kan worden dat hij niet beschikt over de schriftelijke bescheiden. A-G Overgaauw stelt in  2007, dat het hem redelijk voorkomt om de termijn die de inspecteur heeft om alsnog de bescheiden op te vragen eindigt bij het einde van de navorderingstermijn.[3] Het hof sloot zich hierbij aan. Daarmee was de inspecteur te laat en werd de eigenwoningschuld vastgesteld op € 468.000.

De Hoge Raad oordeelt dat in artikel 3.123 geen enkele termijn staat opgenomen. De conclusie van het hof berust dan op een onjuiste rechtsopvatting en de Hoge Raad geeft de inspecteur (en Rechtbank) gelijk. De eigenwoningschuld wordt vastgesteld op € 374.500.

Met deze conclusie oordeelt de Hoge Raad wel robuust. Het belastingrecht heeft tal van mogelijkheden om de redelijkheid mee te wegen. Dat is hier, naar mijn mening, onvoldoende gebeurd. Het zou mij raar voorkomen als er (bijvoorbeeld) twintig jaar na een verbouwing (waarin de belastingplichtige wellicht ook nog een keer is verhuisd) nog schriftelijke bescheiden kunnen worden opgevraagd. Ergens moet er dus een grens liggen. Het is onbegrijpelijk en niet in het belang van de rechtszekerheid dat de Hoge Raad hier geen aanwijzing voor heeft gegeven.

De staatssecretaris is nu aan zet
Nu de Hoge Raad zijn werk niet goed heeft gedaan, lijkt het me niet wenselijk om een ‘try and error’ spel te spelen. Is de termijn 8 jaar, of 9 jaar of 12 jaar?
Het zou de staatssecretaris sieren wanneer hij in een goedkeurend besluit vaststelt dat de termijn, in het belang van de rechtszekerheid, zes jaar bedraagt. Waarom zou de termijn langer moeten zijn dan de wettelijke navorderingstermijn? Dat betekent dat de inspecteur na zes jaar het recht verspeelt om betalingsbewijzen van een verbouwing die langer dan zes jaar heeft plaatsgevonden, op te vragen.


[1] Hoge Raad 19-april 2019 nr. 18/03134, ECLI:NL:HR:2019:629.

[2] Hof Amsterdam, 13 oktober 2011, nr. 09/00486. ECLI:NL:GHAMS:2011:BU1584.

[3] Overweging 5.8 van de Conclusie van A-G Overgaauw van 21 september 2007, nr. 41805, ECLI:NL:PHR:2007:AY8992.