Gezamenlijke aankoop eigen woningen aangaan en aangaan woningschuld partners

februari 2018

NOOT in NL FISCAAL, NLF 2018/0363           

Op 14 april 2017 beantwoordde toenmalig staatssecretaris Wiebes enkele vragen over de gevolgen van de invoering van de beperkte wettelijke gemeenschap van goederen voor partners met een eigenwoningschuld. Uit die antwoorden bleek dat de fiscale interpretatie van de Belastingdienst over de uitwerking van de wet voor partners tot ongewenste uitkomsten zou leiden. Die onwenselijke uitkomsten stonden overigens los van de invoering van die wet, maar spelen ook bij al vóór 2018 gehuwden of andere fiscale partners. Op 30 januari 2018 heeft de huidige staatssecretaris Snel de onwenselijke gevolgen recht willen trekken via het Goedkeuringsbesluit bepaling EWS partners (hierna het besluit). Dat is maar beperkt gelukt.        

De Kamerbrief van staatssecretaris Wiebes van 14 april 2017 leidde tot grote verwarring bij hypotheekadviseurs en andere deskundigen. Er bleek een interpretatie van de wet te zijn die maakte dat fiscale partners, van wie de één een fiscaal eigenwoningverleden had en de ander niet, nadelige gevolgen ondervonden als ze gezamenlijk een eigen woning financierden. Dit was niet gewenst.

De goedkeuring in het besluit
De goedkeuring (van 30 januari 2018) is dat een eigenwoningverleden van een van de partners wordt verdeeld over beide partners, om daarna de individuele, op 31 december 2012 bestaande eigenwoningschuld (BEWS) en het eigenwoningverleden te bepalen. In het voorbeeld uit het besluit worden de verschillende samenlevingsvormen niet uitgewerkt. Zo weten we niet of de fiscale partners in het besluit al dan niet zijn gehuwd, een samenlevingsovereenkomst hebben, wanneer dit zou zijn gebeurd en of daarbij huwelijkse/partnervoorwaarden zijn opgemaakt. Ze zijn uiteraard wel fiscale partners, want dat is automatisch het geval wanneer ze gezamenlijk een woning kopen (artikel 1.2, lid 1, onderdeel d, Wet IB 2001).

Voorwaarden voor de goedkeuring
Om voor de hierboven geschetste goedkeuring in aanmerking te komen, gelden drie voorwaarden:

  1. De partners kopen de eigen woning aan in een 50%-50%-verhouding en gaan de schuld(en) voor financiering van de woning eveneens in die verhouding aan.
  2. Beide partners doen een beroep op deze goedkeuring door de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente op deze manier in de aangifte(n) op te nemen.
  3. Beide partners zijn akkoord met de volgende consequentie: toepassing van de goedkeuring door het zodanig opnemen van de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente in de aangifte(n) geldt ook voor latere jaren. De verdeling bij helfte van het eigenwoningverleden van één of beide partners kan daardoor niet meer worden herzien of teruggedraaid in een later belastingjaar.

Deze voorwaarden roepen direct vragen op. Waarom alleen bij 50%-50%? In het besluit geeft de staatssecretaris aan dat afwijkende verhoudingen aan de Belastingdienst1 kunnen worden voorgelegd. Daar heeft de belastingplichtige vrijwel niets aan. De instelling die de financiering aanbiedt moet een snelle reactie hebben. Blijft die uit, dan moet de belastingplichtige een beroep doen op de financieringsvoorwaarde in het voorlopig koopcontract. Dan zal de verkoper mogelijk afhaken. De enige reden is dat de staatssecretaris wil nagaan of er sprake is van een niet beoogde beperking van de aftrek van eigenwoningrente. Dit kan ook echt anders.

Een tweede punt is dat beide partners in hun aangiften inkomstenbelasting de eigenwoningreserve en de eigenwoningrente in die 50%-50%-verhouding opnemen. Dat strookt niet met de fiscale partnerregeling waarmee partners een gemeenschappelijk inkomensbestanddeel, zoals de eigen woning, in de aangifte vrij kunnen toedelen (artikel 2.17, lid 2, Wet IB 2001). In de praktijk zal de keuzevrijheid wel blijven, maar het was handig geweest als dat in het besluit was opgenomen.

Wat wordt bedoeld met de derde voorwaarde en de onmogelijkheid om te herzien? Geldt dit alleen voor de partnerperiode of ook als beide partners weer uit elkaar gaan? In het laatste geval neemt de partner die geen recht had op een BEWS (zie het voorbeeld van de staatssecretaris) 50% van die BEWS mee. Is dit een schenking?

Invloed huwelijksgoederenrecht
Het is dus de vraag in hoeverre de goedkeuring wel fiscaal ‘waterdicht’ is. Als de fiscale partners een beroep doen op de goedkeuring (door aangifte IB te doen), schenkt degene die een BEWS heeft aan de ander. Alleen als ze in gemeenschap van goederen zijn gehuwd, hoeft dit geen probleem te zijn. Als ze dat niet zijn, is de vraag of er schenkbelasting is verschuldigd (bij samenwoners), dan wel een vergoedingsrecht ontstaat (bij huwelijken onder voorwaarden of in beperkte gemeenschap). Of dat ze onderhands een leningovereenkomst moeten aangaan.

Kamerbrief van 14 april 2017
In de Kamerbrief van 14 april 2017 zijn andere situaties uitgewerkt: die van samenwoners, die van gehuwden vóór 2018 en die van gehuwden in 2018 of daarna. Helaas zijn deze voorbeelden nu weer niet uitgewerkt in het besluit. De adviseur moet wel zicht hebben op de fiscale gevolgen, omdat het altijd een keuze is om gebruik te maken van het besluit (of niet).

Ten slotte
Het is jammer dat dit besluit zo snel is genomen. Los van alle taal-, type- en verwijzingsfouten (die inmiddels zijn aangepast), zou het voor de belastingplichtige veel beter zijn geweest om ook de voorbeelden uit de Kamerbrief van 14 april 2017 te hebben meegenomen en de 50%-50%-verhouding los te laten. Ik verwacht dus nog aanvullingen op dit besluit.

Jelle van den Berg