Eigen woning en de jurisprudentie 2021

januari 2022

De eigenwoningregeling uit de wet IB 2001 is ingewikkeld. Niet zo zeer voor 80% van de eigenwoningbezitters die gedurende het kalenderjaar in de eigen woning blijven wonen, maar wel voor de degene die te maken heeft met verhuizen, uit elkaar gaan, overlijden, worden uitgezonden of een lening bij familie of de eigen bv afsluit. In het kalenderjaar 2021 heeft een rechtbank bijna 200 keer een uitspraak moeten doen over de fiscale gevolgen in deze situaties.[1] Een aantal van deze uitspraken zijn opnieuw door het hof beoordeeld en tenslotte bij de Hoge Raad aanbeland. Het gaat te ver om al deze uitspaken te behandelen. In deze bijdrage zal ik alleen ingaan op de belangrijkste.

Door: Jelle van den Berg, VfP 2022/1, blz. 27 e.v.

Inleiding

Met deze limitatieve opsomming is het duidelijk wanneer er sprake is van een eigen woning (in box 1). Alle andere woningen vallen in beginsel onder de spelregels van box 3. Dit zal geen  nieuws zijn, maar het is wel een essentieel uitgangspunt. Bij vrijwel alle fiscale vraagstukken komt eerst de vraag aan de orde of er sprake is van een eigen woning. Vervolgens kan pas worden bepaald of er sprake is van een eigenwoningschuld, waardoor de betaalde rente mogelijk aftrekbaar is in box 1. Hier speelt dan ook (pas) het overgangsrecht uit artikel 10bis.1 Wet IB 2001 mogelijk een rol.

In deze bijdrage zal ik drie thema’s behandelen: ‘uit elkaar gaan’, familieleningen en de uitzendregeling.

Uit elkaar gaan

In beginsel geldt voor de eerste 24 maanden nadat een van de partners de woning heeft verlaten, de eigenwoningregeling (art. 3.111 lid 4 Wet IB 2001). Als na de 24-maands periode de woning nog niet is toegedeeld aan de achterblijvende partner of is verkocht, wordt, voor de vertrekkende partner(s), de voormalig gemeenschappelijke woning gerekend tot de grondslag voor de vermogensrendementsheffing. Als een van de partners (met de kinderen) achterblijft in de woning, wil de vertrekkende partner uiteraard zijn aandeel in de verschuldigde eigenwoningrente blijven aftrekken. In beginsel kan dat, na die 24 maanden niet meer. In een aantal situaties kan in het scheidingsconvenant afspraken worden gemaakt over de hoogte van de alimentatie. Dan is er , bij de vertrekkende partner, een alimentatieverplichting. Deze is aftrekbaar als onderhoudsverplichtingen (artikel 6.3 Wet IB 2001). Bij de ontvanger is dit dan weer belast (artikel 3.100 Wet IB 2001). De alimentatieontvanger kan dan de eigenwoningrente betalen en die aftrekken.

Gemeenschappelijk eigendom

Het huwelijkse goederenregime is steeds van belang om te bepalen of er sprake is van een eigen woning. Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen gehuwd zijn (onder de huwelijkse voorwaarde) in gemeenschap van goederen en op huwelijkse voorwaarden.

Bij gemeenschap van goederen zijn beide partners gemeenschappelijk eigenaar. Zodra een van hen de woning verlaat zijn beiden voor elk 50% eigenaar en moeten zij elk 50% van het eigenwoningforfait aangeven. Doordat de vertrekkende partner de achterblijvende partner in het huis laat wonen, kan de vertrekkende partner het bedrag aan eigenwoningforfait aftrekken als alimentatie. Dit is onderdeel van de persoonsgebonden aftrek (artikel 6.3, tweede lid Wet IB 2001). Na twee jaar vervalt, voor de vertrekkende partner, de mogelijkheid het eigen aandeel in de woning als een eigen woning aan te geven. De woning verhuist (met eventuele schuld) voor zijn deel dan naar box 3. De vertrekkende partner kan dan geen eigenwoningforfait meer aangeven. Wel blijft de mogelijkheid voor de persoonsgebonden aftrek.

Voor huwelijkse voorwaarden geldt vaak hetzelfde. Partners zijn via de voorwaarden of via de wijze van aankoop (in onverdeeld eigendom) voor beiden (50%) eigenaar van de woning.

Voorbeeld:

X pakt op 1 oktober zijn biezen en verlaat de echtelijke woning. X en Y zijn in gemeenschap van goederen getrouwd. X geeft 50% van het eigenwoningforfait aan. Doordat hij Y (met eventuele kinderen) in de woning laat wonen kan hij, mits zorgvuldig in het scheidingsconvenant opgenomen, de 50% direct weer als alimentatie aftrekken. Y geeft ook 50% van het eigenwoningforfait op en daarnaast geniet zij (belaste) alimentatie van 50% van het eigenwoningforfait. Per saldo geeft X dus niets aan en Y 100% van het eigenwoningforfait.

Het gaat mis in de casus waar In het echtscheidingsconvenant wordt afgezien van partneralimentatie, omdat partijen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Voor 2017 claimt X toch aftrek van alimentatie, zijnde het aandeel van Y in de hypotheeklasten, die zij niet wil betalen. Rechtbank Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de betalingen, die hij namens Y rechtstreeks aan schuldeisers verricht, zijn aan te merken als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. X beroept zich vergeefs op art. 1:85 BW. Deze hoofdelijke aansprakelijkheid van echtgenoten ten opzichte van schuldeisers schept namelijk geen rechtens afdwingbare betalingsverplichting tussen echtgenoten onderling. Het beroep van X is ongegrond.[2] Hadden X en Y in het convenant afgesproken dat Y alimentatie kreeg ter grootte van 50% van de rente, dan was het wel goed gegaan.

Exact hetzelfde is gebeurd in de casus van de rechtbank Zeeland-West Brabant.[3] Belanghebbende heeft onvoldoende gesteld dat sprake is van een onderhoudsverplichting (alimentatie). De rechtbank ziet ook geen feiten en omstandigheden om tot deze conclusie te komen.

Voorbeeld:

X en Y zijn nu onder huwelijkse voorwaarden getrouwd of hebben de woning samen in onverdeeld eigendom gekocht. Als X en Y elk voor 50% eigenaar zijn, is de uitwerking exact hetzelfde als in het vorige voorbeeld. Ook hier geldt dat in een convenant moet zijn opgenomen wie rente en alimentatie betaald.[4] Als er helemaal geen convenant is gaat 50% van de renteaftrek ook echt verloren.[5]

Een van de partners is eigenaar

In beginsel werkt hier dezelfde problematiek als bij gemeenschappelijk eigendom. Eerst moet worden bepaald wie de eigenaar is van de woning. De eigenaar dient (maximaal twee jaar) 100% van het eigenwoningforfait aan te geven.

Voorbeeld:

X en Y zijn nu onder huwelijkse voorwaarden getrouwd. Als X eigenaar is geeft hij 100% van het forfait aan en kan hij 100% weer als alimentatie aftrekken. In dat geval geeft Y 100% van het forfait (als alimentatie) aan (artikel 3.101, tweede lid Wet IB 2001).

Als Y eigenaar is geldt voor haar gewoon de hoofdregel. Zij is immers eigenaar en de woning het is haar hoofdverblijf. Y geeft dus 100% van het eigenwoningforfait aan en X geeft niets aan.

Een bijzondere uitspraak is die van het hof Den Bosch. Belanghebbende is buiten gemeenschap van goederen gehuwd en heeft de echtelijke woning verlaten. De ex-echtgenote is (en was) volledig eigenaar van de woning. Ze zijn geen fiscaal partner (meer). Uit de hypotheekakte blijkt dat belanghebbende en de ex-echtgenote hoofdelijk schuldenaar zijn. Er is geen draagplichtovereenkomst. Belanghebbende betaalt 100% van de hypotheekrente en trekt deze voor 50% als eigenwoningrente af en 50% als alimentatie. Het hof geeft belanghebbende gelijk en motiveert dat door te stellen dat artikel 3.111, lid 4, Wet IB 2001 geen steun geeft voor de opvatting van de inspecteur dat hypotheekrenteaftrek alleen kan worden verleend indien, na het einde van het fiscaal partnerschap, de belastingplichtige (mede)eigenaar is van de woning. Verder is het doel van de scheidingsregeling om nog maximaal twee jaar (gezamenlijk) 100% renteaftrek toe te staan. De wetgever heeft daarbij niet de voorwaarde gesteld dat de belastingplichtige gedurende die periode nog (mede) eigenaar van de woning moet zijn.[6]

Het hof gaat, naar mijn  mening, wel heel makkelijk voorbij aan de eis (uit artikel 3.111, eerste lid Wet IB 2001) dat er in de eerste plaats een eigen woning moet zijn om renteaftrek te krijgen (vraag 1). Voor belanghebbende was de woning wel het hoofdverblijf, maar hij had geen (gedeeltelijke) eigendom. Belanghebbende heeft dus nimmer een eigen woning gehad. De enige reden dat hij renteaftrek had lag in feit dat hij was gehuwd en daardoor zichzelf de eigenwoningrente kon toedelen. Nu hij niet meer gehuwd is kan hij daardoor niet aan het vierde lid toekomen. Dat lid geldt immers alleen als belanghebbende (deels) eigenaar was. Het hof hangt vervolgens erg aan de 100%-gedachte, maar gaat voorbij aan de mogelijkheid dat de ex van belanghebbende die 100% kan aftrekken. Deze uitspraak lijkt mij daarom onjuist.[7]

In een andere casus oordeelde rechtbank Zeeland-West Brabant dat belanghebbende, die in scheiding ligt, 50% eigenaar is van woning en daarmee ook maar 50%% van de rente als eigenwoningrente kan aftrekken. Hij betaalt echter alle rente. De andere helft is niet aftrekbaar (ook niet als alimentatie), omdat dit niet zo is geregeld in het echtscheidingsconvenant.[8] Deze uitspraak toont het belang van een goed scheidingsconvenant (of draagplichtovereenkomst).

Overleg tussen exen is noodzakelijk

In de volgende casus is er geen overleg geweest tussen de exen, maar wel een afspraak over de betaling van de rente gemaakt. Vanaf 2 december 2013 is Y  niet meer op het adres van de echtelijke woning ingeschreven, X is wel op het adres blijven wonen. In 2017 is het huwelijk ontbonden. Bij het echtscheidingsconvenant is de echtelijke woning toegewezen aan Y onder het beding dat X tot 1 oktober 2018, het moment dat hij een huurwoning betrekt, in de echtelijke woning woont en ook alle lasten draagt. Voor het jaar 2016 zijn geen afspraken gemaakt.

X en Y hebben afzonderlijk aangifte IB/PVV gedaan. X heeft in zijn aangifte de helft van het eigenwoningforfait en het volledige bedrag aan hypotheekrente in aanmerking genomen en een deel daarvan als aftrekbare alimentatie opgenomen. Y heeft in haar aangifte IB/PVV 45 percent van de helft van het eigenwoningforfait en 45 percent van de hypotheekrente in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft het door X aangegeven saldo van inkomsten en aftrekposten met betrekking tot de eigen woning en de aftrek partneralimentatie gecorrigeerd.

Dat is volgens Rechtbank Den Haag en in hoger beroep Hof Den Haag terecht omdat X en Y in 2016 nog fiscale partners zijn, zij geen onderlinge verhouding hebben gekozen voor de verdeling van het saldo van de inkomsten en aftrekposten eigen woning, zodat de belastbare inkomsten uit eigen woning niet anders dan bij ieder van de fiscale partners voor de helft in aanmerking komen, en dat voor de aftrek van partneralimentatie benodigde afspraken ontbreken.[9]

Aandachtspunten adviseur

Wanneer twee fiscale partners uit elkaar gaan, is het belangrijkste na te gaan wie eigenaar is en wordt van de gemeenschappelijke woning. Los van de periode dat er sprake is van fiscaal partnerschap kan er alleen rente worden afgetrokken als er (gedeeltelijk) eigendom is van die woning en dan alleen voor dat eigendomsdeel.

Mocht een van de ex-partners (een deel van de ) rente betalen, terwijl er geen of onvoldoende eigendom is, dan kan dit via de alimentatie lopen. Verhoog de alimentatie (aftrekpaar bij de alimentatieplichtige) en laat de andere ex-partner de eigenwoningrente betalen. De ontvangen alimentatie is belast , maar de rente is aftrekbaar.

Een lening bij familie of de eigen bv

Inleiding

Regelmatig wordt er geld geleend van familie of eigen bv om de aankoop van een eigen woning te financieren. Om de rente als eigenwoningrente aan te merken spelen (sinds 2013) artikel 3.119a 3.119g Wet IB 2001 een rol. In dit onderdeel wordt vooral ingegaan op 3.119g Wet IB 2001. Dir artikel is van belang voor belastingplichtigen die geld lenen van een niet aangewezen administratieplichtige. Deze heeft immers geen renseigneringplicht naar de Belastingdienst. Denk hierbij aan de situatie dat een bezitter van een eigen woning leent van familie, de eigen BV, de werkgever, of een buitenlandse financiële instelling. Deze aanvullende wettelijke bepaling is nodig, omdat de wetgever een lening die is afgesloten met een van de hiervoor genoemde partijen ook wil faciliteren als eigenwoningschuld. Hiermee is de rente in box 1 aftrekbaar. Zonder deze wettelijke bepaling heeft de Belastingdienst geen zicht op de (aflossingen) op deze eigenwoningschulden. Deze partijen hebben namelijk geen meldingsplicht als bedoeld in artikel 10.8 Wet IB 2001.[10]

Via artikel 3.119g Wet IB 2001 is in artikel 17b, eerste lid Uitvoeringsregeling IB 2001 bepaald dat de volgende gegevens, bij het indienen van de aangifte, moeten worden verstrekt.

  1. de datum van aangaan van de schuld;
  2. het startbedrag van de schuld;
  3. de maandelijkse rentevoet;
  4. de contractueel vastgelegde looptijd in maanden;
  5. de contractueel vastgelegde wijze van aflossing;
  6. indien de leningverstrekker een natuurlijk persoon is: de naam, het adres en het Burgerservicenummer of, bij het ontbreken hiervan, een hiermee vergelijkbaar door de fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer van de leningverstrekker;
  7. indien de leningverstrekker een rechtspersoon is: de naam, het adres en een uniek nummer als bedoeld in de Handelsregisterwet 2007 of, bij het ontbreken van een dergelijk nummer en indien dat bestaat, een hiermee vergelijkbaar door de fiscale woonstaat toegekend fiscaal identificatienummer van de leningverstrekker.

Vergeten om de gegevens te verstrekken en de rente af te trekken

In de eerste jurisprudentie over artikel 3.119g bleek het te gaan over een tweede lening die de dochter bij haar vader had afgesloten.[11] Zij vergeet de schuld aan haar vader in het aangiftebiljet op te nemen en de betaalde rente af te trekken. Omdat de aanslag onherroepelijk vaststond, deed zij een verzoek om ambtshalve vermindering. De inspecteur weigerde dit verzoek. Het hof stelt vast dat het tijdig voldoen aan de informatieverplichting (in deze casus dus aan de voorwaarden a t/m f) een noodzakelijke voorwaarde vormt om de onderhandse lening als een eigenwoningschuld te bestempelen. Nu belanghebbende te laat is, is er geen eigenwoningschuld, dus ook geen renteaftrek mogelijk. De Hoge Raad heeft deze uitspraak bevestigd.[12]

Aandachtspunten adviseur

Indien de gegevens niet of onvolledig worden verstrekt, is er dus geen sprake van een eigenwoningschuld en daarmee geen renteaftrek mogelijk. Bespreek dit met de klant als er een lening bij familie, vrienden of eigen bv wordt afgesloten. Belangrijks is je ook te realiseren dat er in artikel 3.119g Wet IB 2001 geen herstelmogelijkheid is opgenomen. Zodra de aanslag onherroepelijk is, lijkt dit te betekenen dat verlies van de renteaftrek voor altijd is. De lening zit en blijft in box 3. In de wettekst van artikel 3.119g Wet IB 2001 van voor 2015 (het toenmalige vierde lid) was die herstelmogelijkheid er wel.[13] Mogelijk dat met een beroep op de hardheidsclausule uit artikel 63 AWR herstel toch mogelijk is. De renteaftrek gaat dan alleen verloren over de jaren waarin geen correcte informatieverstrekking is gedaan.

Vergeten de verplichte aflossingen vast te leggen

In deze casus is de zoon een leningsovereenkomst met zijn vader aangegaan voor de financiering van de aankoop van een eigen woning. Hij trok alle betaalde rente, over de lening van vader, af. De aanslag IB/PVV 2015 is conform de aangifte opgelegd. De Inspecteur stelt dat na een onderzoek bij de vader leningsovereenkomsten zijn aangetroffen die betrekking hebben op belanghebbende. Op basis van deze stukken is geconcludeerd dat er geen sprake is van een kwalificerende eigenwoningschuld, omdat er geen aflossingsverplichting conform artikel 3.119a Wet IB is. De schuld is dus een box 3 schuld en de rente is niet aftrekbaar.

De rechtbank is van mening dat er een nieuw feit is, waardoor navorderen kan. Ik ga hier verder niet op in. Vervolgens stelt de rechtbank vast dat de contractuele verplichting tot aflossing van de lening ontbreekt. Het is niet van belang of er feitelijk is afgelost. De inspecteur krijgt gelijk. Deze uitspraak lijkt mij juist.[14]

Aandachtspunten adviseur

Het doel van artikel 3.119a Wet IB 2001 is om de aflossing van de eigenwoningschuld te bevorderen. Daarom is de zogenoemde aflossingseis opgenomen. Dit is een juridische verplichting. Dit heeft als doel om de Belastingdienst vooraf te kunnen laten bepalen of de lening kan kwalificeren als een eigenwoningschuld. Als deze verplichting niet is opgenomen, verliest de lening het karakter van een eigenwoninglening als bedoeld in artikel 3.119a Wet IB 2001 Ook indien vrijwillig wel voldoende wordt afgelost, maar geen contractuele verplichting daartoe is overeengekomen (bijvoorbeeld indien een aflossingsvrije lening is aangegaan waarvan elk jaar een deel wordt afgelost), behoort de schuld niet tot de eigenwoningschuld. Indien uw klant een leningsovereenkomst heeft zonder aflossingsverplichting, kan die verplichting alsnog worden opgenomen.[15] Het lijkt me dan verdedigbaar dat de lening vanaf dat moment als eigenwoninglening kwalificeert indien ook de over de hele looptijd is voldaan aan de aflossingseis. Dit kan betekenen dat er nog een stuk inhaalaflossing nodig is.

Het kan natuurlijk ook juist gewenst zijn dat lening in box 3 valt. Deze situatie doet zich voor als de renteaftrek in box 1 minder oplevert dan de schuldenaftrek in box 3.

Dit ‘sturen’ van schulden is niet mogelijk voor op 31 december 2012 bestaande eigenwoningschulden (BEWS). Deze schulden hebben geen aflossingsverplichting. Als een BEWS voldoet aan het overgangsrecht van artikel 10bis.1 wet IB 2001, zal de schuld, zolang er een causaal verband is met de eigen woning, altijd onder de spelregels van box 1 vallen.

Hoogte rente tussen ouder en kind

Naar aanleiding van een WOB-verzoek is een document beschikbaar waaruit blijkt wanneer er, volgens de Belastingdienst, sprake is van een zakelijke rente tussen ouder en kind.[16]

Het belangrijkste aandachtspunt, voor de Belastingdienst, is de bepaling van de hoogte van het rentepercentage. Daar spelen de gestelde zekerheden en de terugbetalingscapaciteit een belangrijke rol. In beginsel rechtvaardigt het ontbreken van zekerheidstelling in algemene zin een verhoging van het rentepercentage. Dit verhoogt namelijk het risico op het niet terugontvangen van het uitgeleende bedrag. Het verstrekken van een eigenwoninglening zonder zekerheidstelling is onder zakelijke omstandigheden echter niet gebruikelijk.

Voor een uitgebreide beschrijving van de Handreiking verwijs ik naar mijn bijdrage in VfP 2012/7-8.[17]

Aandachtspunten adviseur

In de Handreiking staat niet veel over een lening tussen dga en de eigen bv. De rentebepaling geldt echter ook voor dit type lening. Bovendien moet de lening vanuit de bv bezien zakelijk zijn. Er moeten voor langere periode liquiditeiten beschikbaar zijn en de bv moet invorderingsmaatregelen nemen als de dga in gebreke blijft bij zijn rente- en aflossingsverplichtingen. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad die in omgekeerde situatie (dga leent aan de bv) vaststelde dat de dga geen invorderingsmaatregelen trof toen de bv achterstand had bij de rentebetaling en aflossing. De lening werd daarmee onzakelijk.[18] Het is dus belangrijk dat de bv actie onderneemt bij achterstallige betalingen van de dga. Gebeurt dit niet dan kan de Belastingdienst, ondanks de zakelijke rente, de lening als onzakelijk beschouwen en daarmee als dividend aanmerken.

Uitzendregeling

Als er over één uitzonderingspositie rond de eigenwoningregeling regelmatig wordt geprocedeerd, is dat over de fiscale positie van de eigen woning bij uitzending (artikel 3.111, zesde lid Wet IB 2001). De vele jurisprudentie leidt er toe dat de woningeigenaar heel goed moet opletten, zodat de eigenwoningregeling niet vervalt. Een uitgebreid overzicht is te vinden in mijn bijdrage in WFR 2021/7393. Ook in 2021 zijn er weer verschillende uitspraken verschenen.[19] Een geactualiseerde versie van het WFR-arrtikel is gratis te downloaden via mijn website.

In 2021 gaan veel procedures over de vraag of een kind nu wel of niet tot het huishouden behoorde. Dit is relevant, omdat een kind dat tot het huishouden behoort, achter kan blijven in de ouderlijke woning, zonder dat deze woning naar box 3 ‘verhuist’.[20]

Kinderen verhuizen vanuit het buitenland terug

Kinderen die mee naar het buitenland verhuizen en op een later moment, met een of beide ouders, naar Nederland terugkeren blijven tot het huishouden behoren. Als de ouders daarna weer naar hun standplaats in het buitenland (terug)gaan en de kinderen in de woning achterblijven, blijft er sprake van een woning uit het zesde lid. Dit blijkt uit de uitspraak over een belanghebbende die is uitgezonden naar Maleisië, waar hij samen met zijn echtgenote en drie kinderen is gaan wonen. Zijn woning in Nederland heeft hij aangehouden. Bij de terugkeer van de kinderen naar de woning in Nederland werden de zoon en later een dochter vergezeld door belanghebbende en zijn echtgenote. Daarmee bleven de kinderen tot het huishouden behoren. De ouders zijn later weer terug gegaan naar het buitenland. Met hun inschrijving op het adres in Nederland worden de kinderen geen ’derden’ in de zin van artikel 3.111, zesde lid, Wet IB 2001. Vanaf het moment dat zij, voor hun studie, in Amsterdam gaan wonen, worden zij pas als ’derden’ aangemerkt. De zoon mag wel een sleutel hebben om de post op te halen. De woning blijft een eigen woning in de zin van het zesde lid.

Het gaat echter fout als een zoon eerst meegaat (naar Moskou) en na een aantal jaar alleen terugkeert naar de aangehouden woning, is er geen sprake van een eigen woning als bedoeld in het zesde lid. De zoon is bij aanvang van de uitzending meeverhuisd naar het buitenland. Daardoor is het besluit van 24 november 2009 niet van toepassing. De zoon is vanaf zijn terugkeer in Nederland zelfstandig een huishouding gaan voeren. Verder is niet aannemelijk dat hij de woning als kraakwacht heeft betrokken. Tenslotte kan belanghebbende geen vertrouwen ontlenen aan een tekst op de website van het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot de woonplaatsfictie, waardoor hij binnenlands belastingplichtig blijft (en de eigen woning als een woning uit het eerste lid zou moeten worden behandeld).. De Hoge Raad heeft de uitspraak bevestigd.[21]

Kind komt vlak voor uitzending weer bij ouders wonen

Indien het kind vlak voor het moment van uitzending (van de ouders) weer thuis komt wonen, is het zesde lid van toepassing. Dit blijkt uit de volgende uitspraak. Belanghebbende en zijn echtgenoot zijn geheel 2017 fiscaal partners. Met ingang van 15 augustus 2016 is belanghebbende door het Ministerie van EZ uitgezonden naar Zuid-Afrika. Vanaf dat moment staat hij niet langer ingeschreven op het adres van zijn woning in Nederland. De echtgenote stond tot 20 augustus 2017 ingeschreven op dat adres. De jongste dochter stond met ingang van 1 augustus 2017 weer ingeschreven op het adres van de woning in Nederland. De rechtbank stelt vast dat de dochter vanaf 1 augustus weer tot het huishouden behoort. Hierdoor is er vanaf 20 augustus 2017 sprake van een eigen woning op basis van het zesde lid.[22]

De rechtbank concludeert (naar mijn mening terecht) dat het huishouden kan bestaan uit de moeder en dochter, terwijl de vader al is uitgezonden. Hierbij speelt wel een rol dat de woning, op grond van het feit dat de moeder er nog woont, een eigen woning is op basis van het eerste lid. Vanaf 20 augustus 2017 valt de woning pas onder de uitzendregeling. Daardoor voldoet de dochter (net) aan de voorwaarde dat zij al vlak voor de uitzending deel uitmaakte van het huishouden.

Kraakwacht

Om te voorkomen dat de woning naar box verhuist, kan een kraakwacht de oplossing zijn. Een woning waarin enig meubilair staat dan wel waarin uitsluitend een zogenoemde kraakwacht verblijft, wordt als leegstaand aangemerkt. De gedachte hierachter is dat een leegstaande woning inbraak- en kraakgevoelig is. Een kraakwacht kan helpen dit te voorkomen. Hierdoor geldt zowel voor de verhuisregeling als de uitzendregeling dat bij een kraakwacht het eigenwoningregime blijft behouden. De eigenwoningbezitter heeft hiertoe de bewijslast. Zo stond een woning leeg en te koop, maar werd de woning toch bewoond door een voormalige vriend van belanghebbende. Belanghebbende stelt dat deze vriend als kraakwacht in de woning verbleef. Objectief verifieerbare bewijzen ontbreken hiervoor echter. De woning is vanaf het moment dat die aan de vriend ter beschikking is gesteld, geen eigen woning meer in de zin van artikel 3.111 Wet IB 2001.[23] Deze uitspraak is weliswaar gedaan voor toepassing van het tweede lid, maar geldt ook voor het zesde lid. Uit jurisprudentie blijkt dat er tussen de woningeigenaar en de kraakwacht in beginsel een schriftelijke overeenkomst moet zijn.[24]

Aandachtspunten adviseur

Uit de jurisprudentie blijkt dat er met de uitgezonden ouders regelmatig overleg moet zijn als er kinderen in de woning achterblijven of op een later moment terug willen keren. Op basis van een besluit van de staatssecretaris van 24 november 2009 kunnen kinderen, die tot het huishouden van de eigenwoningbezitter behoren (tot hun 27e jaar) in de woning blijven wonen, zonder dat de woning naar box 3 verhuist. Voor kinderen die eerst mee naar het buitenland verhuizen geldt dat alleen maar als ze naar Nederland terugkomen met een of beide ouders. De ouders kunnen daarna gewoon weer naar het buitenland terugkeren. Komen ze zonder hun ouders terug, dan verhuist de woning naar box 3.

De enige manier om verhuizing naar box 3 dan te voorkomen is de installatie van een kraakwacht. Daarbij is de redactie van de schriftelijke bruikleenovereenkomst essentieel. In de overeenkomst moet zijn opgenomen dat de bewoner is aangetrokken als kraakwacht en alle pogingen tot kraken en/of inbraak moeten worden voorkomen en direct worden gemeld. Er mag geen huur zijn verschuldigd (een vergoeding voor gas en elektra is wel toegestaan). De gebruikers dienen, op verzoek van de eigenaar, binnen twee tot vier weken de woning te verlaten.

Tenslotte mag de feitelijke situatie niet in betekenende mate afwijken van hetgeen in de bruikleenovereenkomsten is overeengekomen.

De laatste vraag die dan resteert is of de Belastingdienst dergelijke overeenkomsten tussen ouders en kind accepteert. Is hier niet sprake van een ongebruikelijk overeenkomst in gezinssituaties, waardoor, economisch gezien, het kraakwacht argument vervalt en de woning naar box ‘verhuist’.

Tenslotte

Hierboven is een klein deel van de jurisprudentie uit 2021 besproken. Alles bespreken is ondoenlijk. Bovendien liggen veel van de bijna 200 rechtbankuitspraken uit 2021 in de lijn van de bestaande jurisprudentie. Al die uitspraken (sommigen gevolgd door een hofuitspraak en arrest van de Hoge Raad) geven nog maar eens aan hoe ingewikkeld de huidige eigenwoningregelgeving is. Niet zozeer wanneer je in de woning blijft wonen, maar vooral wanneer er in het leven iets verandert (als bijvoorbeeld verhuizen, uit elkaar gaan of overlijden).

Als deze VfP verschijnt zal er toch wel een Regeerakkoord 2021-2025 zijn en wellicht ook de Contourennota. Naar alle waarschijnlijkheid zal daar ook iets zijn opgenomen over een nieuw inkomstenbelastingstelsel of op zijn minst over een nieuwe eigenwoningregeling.

Als dat niet gebeurt, verzaakt het nieuwe kabinet. Kamer (lees politiek), praktijk en wetenschap zijn het namelijk erover eens dat de huidige eigenwoningregeling onhoudbaar is en zeer dringend aan vernieuwing toe is. Ik roep dan de Tweede Kamer op om een kleine commissie in te stellen die binnen drie maanden een initiatief wetsvoorstel voorbereidt, dat medio 2022 in de Tweede kamer wordt besproken en per 1 januari 2024 in kan gaan. Misschien wat optimistisch, maar bij de invoering van de huidige wet IB 2001 hebben we gezien dat dergelijke korte trajecten zeker haalbaar zijn.


[1] Rechtspraak.nl 6 december 2021.

[2] Gerechtshof Den Haag 23 september 2021 Zaaknummer BK-21/00134, ECLI:NL:GHDHA:2021:1933.

[3] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 juli 2021 Zaaknummer AWB – 20 _ 6755, ECLI:NL:RBZWB:2021:3836.

[4] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 2 juni 2021, nr.: BRE 20/366, ECLI:NL:RBZWB:2021:2721.

[5] Rechtbank Noord-Nederland 4 augustus 2021 nr. AWB – 20 _ 3529, ECLI:NL:RBNNE:2021:3363.

[6] Hof Den Bosch 4 februari 2021, nr. 20/00122, ECLI:NL:GHSHE:2021:347.

[7] Zie ook E.G. Hoepelman, Over hoe andermans woning, waarin die ander woont, toch ‘jouw eigen woning’ kan zijn, VfP 2021/4, blz. 33 e.v.

[8] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 juli 2021 Zaaknummer AWB – 20 _ 6755, ECLI:NL:RBNNE:2021:3363.

[9] Hof Den Haag 17 september 2020 nr. 20/00338 ECLI:NL:GHDHA:2020:1678.

[10] Kamerstukken II 2012/13, 33 405, nr. 3, blz. 38.

[11]Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 september 2020, nr. 20/00086, ECLI:NL:GHARL:2020:7497.

[12] Hoge Raad 19 november 2021, nr. 20/03558, ECLI:NL:HR:2021:1719.

[13] Kamerstukken II 2012/13, 33 405, 7, p. 35.

[14] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22 september 2021, nr. 20/8393, 20/8394 ECLI:NL:RBZWB:2021:4757.

[15] Kamerstukken II 2012/13, 33 405, 3, p. 20.

[16] Besluit WOB-verzoek beleid en uitvoering familiebank 21 april 2021, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/wob-verzoeken/2021/04/21/besluit-wob-verzoek-beleid-en-uitvoering-familiebank.

[17] J.E. van den Berg, Eigenwoninglening bij familie of eigen bv, VfP 2021/7-8, blz. 8 e.e.

[18] Hoge Raad, 1 maart 2013 nr. 12/03088, ECLI:NL:HR:2013:BZ2735, V-N Vandaag 2013/497.

[19] J.E. van den Berg, De eigen woning bij uitzending: ganzenbord? WFR 2021/7393, blz. 1075 e.v.

[20] Besluit van 24 november 2009, onderdeel 6.2, nr. CPP2009/2342M, Stcrt 2014, 34403.

[21] Hof Den Haag 26 november 2021, nr. 21/01321, ECLI:NL:HR:2021:1784 en Hoge Raad 26 november 2021, nr. 21/01321, ECLI:NL:HR:2021:1784.

[22] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10 maart 2021, nr. 20/5285, ECLI:NL:RBZWB:2021:1114. Zie hier ook voor de feiten en conclusie rond de vraag of de woning tot 20 augustus 2017 een eigen woning op basis van artikel 3.111, eerste lid Wet IB 2001.

[23] Hof Den Bosch 31 december 2020, 20/00156, 20/00157, ECLI:NL:GHSHE:2020:4101.

[24] Hof Den Bosch 20 mei 2021, nr. 20/00232, ECLI:NL:GHSHE:2021:1490.