De gevolgen van de maatregelen inzake het Covid-19 virus voor het financieel advies (deel 2)

De auteurs bespreken in deze bijdrage een groot aantal, voor de financieel planner, relevante maatregelen om de financieel economische schade van het Covid-19 virus te beperken. Deze bijdarge is opgenomen in het Vakblad Financiële Planning 2020/7.

Drs. J.E. van den Berg

Drs. J.E. van den Berg, Duoberg Consultants BV en verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, fiscale economie.

Drs. J.H.J. Brauwers

Drs. J.H.J. Brauwers, begeleidt en adviseert professionals op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering, estate planning, bedrijfsoverdracht en -opvolging.

Inleiding
Om voor ondernemers en particulieren de economische effecten van het Covid-19-virus (coronavirus) zo veel mogelijk te verzachten is een scala aan maatregelen geïntroduceerd. In het meinummer (VFP 2020/5) zijn de belangrijkste maatregelen naar de stand van zaken per 20 april 2020 beschreven.

Deze bijdrage geeft een overzicht van de belangrijkste nieuwe maatregelen en de belangrijkste aanpassingen in bestaande maatregelen sinds 20 april 2020. Enerzijds om de financieel planner achtergrondinformatie te geven, zodat de klant hierover kan worden geïnformeerd. Anderzijds een aantal praktische voorbeelden of aandachtspunten voor het financieel advies. Deze bijdrage is in samenwerking met de FFP gemaakt.

De tekst is gebaseerd op de stand van zaken per 20 mei 2020. Hierna worden de maatregelen toegelicht.

Ondernemers

De volgende maatregelen voor ondernemers zijn nieuw dan wel aangepast:

  1. Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW).
  2. Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
  3. Tegemoetkoming voor ondernemers getroffen sectoren (Togs).
  4. Verlaging invorderingsrente en betalingskorting
  5. Verlaging invorderingsrente en betalingskorting
  6. Aanvullende fiscale maatregelen.
  7. Overwerk en differentiatie WW-premie.
  8. Tegemoetkoming kredietverleningen.

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW)
De ‘Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid’ (NOW) beoogt ondernemingen die onder de huidige bijzondere omstandigheden gedurende een aaneengesloten periode van 3 maanden te maken hebben met een omzetverlies van meer dan 20% een tegemoetkoming in de loonkosten te geven.

Uitgangspunt in de regeling is dat bij een grotere samenstelling van rechtspersonen of natuurlijke personen, zoals een concern, de omzetdaling van de gehele groep de basis is. Dit kan er echter toe leiden dat sommige werkmaatschappijen met een forse omzetdaling geen subsidie krijgen, omdat andere onderdelen van het concern wel goed blijven draaien.

De NOW is na 20 april 2020 verruimd voor concerns. Deze verruiming betekent dat als bij het concern sprake is van minder dan 20% omzetdaling, maar een individuele werkmaatschappijen wel een omzetdaling van meer dan 20% heeft, deze individuele werkmaatschappij subsidie voor de loonkosten kan aanvragen op basis van de omzetdaling van de werkmaatschappij (in plaats van het concernniveau).

Voor deze mogelijkheid gelden de volgende voorwaarden:

  • De werkmaatschappij moet een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Onderdelen van rechtspersonen, zoals een autonoom aan het economisch verkeer deelnemende onderdeel, vestiging of een business unit komen niet in aanmerking.
  • Geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Concerns, waarvan de werkmaatschappij een beroep doet op de regeling, moeten verklaren over 2020 geen dividend of bonussen uit te keren of eigen aandelen terug te kopen tot aan en inclusief de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • Werkmaatschappijen moeten een overeenkomst met de betrokken vakbonden hebben over werkbehoud.
  • Er is geen personeels-bv binnen het concern.

Concerns met personeel-bv’s moeten altijd uitgaan van de omzetdaling op concernniveau.

  • Aanvullende accountantscontroles.

De accountant moet controleren dat, met als doel de NOW-subsidie te maximaliseren, binnen het concern niet geschoven wordt met omzet, personeel, interne doorbelastingen (het gehanteerde transfer pricingsysteem) en voorraad gereed product. In de nog uit te werken standaarden van accountants wordt dit nog nader gedefinieerd.

Seizoenswerk
Het kabinet onderkent dat voor sommige sectoren of bedrijven de NOW weinig of geen soelaas biedt, vanwege seizoenpatronen in de omzet of de loonkosten. Het probleem van seizoenswerk vraagt om maatwerk en een aparte regeling. Het kabinet zoekt hard naar een oplossing.

In een aantal urgente gevallen – de sierteelt en de culturele sector, die op bijzondere wijze aan het seizoen gebonden zijn – blijkt het al mogelijk om specifieke maatregelen te treffen door aan te sluiten bij bestaande gegevens of subsidiestromen.

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)
Zelfstandige ondernemers die door de coronacrisis in financiële problemen zijn gekomen kunnen een beroep doen op de ‘Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers’ (Tozo). Deze regeling is niet alleen voor zzp’ers bedoeld, maar ook voor zelfstandige ondernemers met personeel als zij aan de criteria voldoen en DGA’s. De Tozo wordt uitgevoerd door de gemeenten. De Tozo is tijdelijk en geldt voor drie maanden (maart, april en mei 2020).

Om in aanmerking te komen voor de ondersteuning dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Ondersteuning op grond van de Tozo kan worden aangevraagd in de vorm van een bijstandsuitkering voor levensonderhoud (maximaal € 1.500 netto voor gehuwden of € 1.050 netto per maand voor alleenstaanden vanaf 21 jaar) en/of in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal (lening van maximaal € 10.157 tegen 2% rente).

De Tozo is na 20 april 2020 op twee punten verruimd. Door de eerste verruiming kunnen zelfstandige ondernemers met de AOW-gerechtigde leeftijd een beroep kunnen doen op de lening voor bedrijfskapitaal. De tweede verruiming ziet op de volgende grensoverschrijdende situaties.

Een zelfstandige die in Nederland woont en een bedrijf in een andere EU-lidstaat heeft kan bijstand voor levensonderhoud krijgen. Hij heeft geen recht op de lening voor bedrijfskapitaal. Daarvoor is hij aangewezen op de regeling van het land waar het bedrijf is gevestigd.

Daarnaast is geregeld dat de zelfstandige die in een andere EU-lidstaat woont en een bedrijf in Nederland heeft een beroep kan doen op de lening voor bedrijfskapitaal. Deze zelfstandige heeft geen recht op de bijstand voor levensonderhoud. Daarvoor is hij aangewezen op de sociale bijstand in het woonland.

Uiteraard geldt dat de zelfstandige ook aan de overige voorwaarden voor de Tozo moet voldoen.

Tegemoetkoming voor ondernemers getroffen sectoren (Togs)
Sinds vrijdag 27 maart 2020 kunnen door corona getroffen ondernemers uit een aantal sectoren onder voorwaarden eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 netto per onderneming krijgen.

Nevenactiviteit komt ook in aanmerking
Gebleken is, dat er ondernemers zijn, die geen aanspraak kunnen maken op de Togs met hun geregistreerde hoofdactiviteit, terwijl dit wel het geval zou zijn op basis van hun geregistreerde nevenactiviteit.

Deze ondernemers kunnen sinds 29 april 2020 ook op basis van hun in het Handelsregister geregistreerde nevenactiviteit aanspraak maken op de Togs.

Aankondiging vrijstelling Togs-vergoeding
Ondernemingen kunnen onder voorwaarden aanspraak maken op een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 netto op grond van de Beleidsregel Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren (Togs).

In het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 kondigt de staatssecretaris van Financiën aan dat, om belastingheffing over de Togs-vergoeding te voorkomen, in het pakket Belastingplan 2021 met terugwerkende kracht zal worden geregeld dat de tegemoetkoming niet tot de winst behoort.[1]

Uitstel van betaling belasting
Ondernemers (inclusief zzp’ers) hebben de mogelijkheid tot bijzonder uitstel van betaling voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en, loonheffingen, kansspelbelasting, assurantiebelasting, verhuurdersheffing, milieubelastingen (energiebelasting/opslag duurzame energie, kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater), accijns (minerale oliën, alcohol en tabak), verbruiksbelasting alcoholvrije dranken, douanerechten en de belastingen Caribisch Nederland. Dit versoepelde uitstelbeleid geldt voor alle (openstaande) belastingschulden en vervalt op 19 juni 2020.[2]

Het is ook mogelijk voor een langere periode dan 3 maanden uitstel aan te vragen. Bij een belastingschuld lager dan € 20.000 moeten er alleen bewijsstukken worden gestuurd waaruit blijkt dat de omzetcijfers of de bestellingen/reserveringen aanzienlijk zijn gedaald ten opzichte van vorige maanden. Op de website van de Belastingdienst zijn hierover duidelijke instructies opgenomen.

Bij een schuld hoger dan € 20.000 moet een verklaring van een zogenoemde derde-deskundige worden overlegd. De staatssecretaris van Financiën heeft in het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 aangegeven dat de verklaring van de derde-deskundige door de Belastingdienst wordt geaccepteerd als de verklaring in ieder geval de volgende elementen bevat:

  • Een verklaring dat aannemelijk is dat er sprake is van werkelijke betalingsproblemen op het moment van het verzoek om uitstel of naar verwachting op korte termijn daarna. Bij ‘korte termijn’ valt te denken aan de periode waarin de actuele beperkingen van het kabinet ten aanzien van de betreffende ondernemer gelden.
  • Een verklaring dat aannemelijk is dat deze betalingsproblemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
  • Een liquiditeitsprognose die volgens de derde-deskundige plausibel is. Deze prognose is opgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van het indienen van het verzoek om uitstel van betaling bekend zijn.

In de toelichting bij de verklaring geeft de derde-deskundige aan welke documenten of gegevens door de ondernemer zijn verstrekt. Zo nodig licht hij dit nader toe. Niet vereist is dat de derde-deskundige een zogenoemde assuranceverklaring geeft dat de ondernemer voldoet aan de voorwaarden.

Een derde-deskundige is bijvoorbeeld een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie of belastingadviseur of accountant, maar niet iemand uit de eigen onderneming.

Tenslotte zullen teruggaven niet worden verrekend met nog openstaande aanslagen. Zo wordt de liquiditeitspositie niet verder aangetast.

Melding betalingsonmacht
Het verzoek om uitstel van betaling over aangiftetijdvakken die eindigen na 1 februari 2020, geldt als tijdige melding van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 36, tweede lid IW. De melding wordt bovendien rechtsgeldig geacht, tenzij achteraf blijkt dat de betalingsonmacht niet hoofdzakelijk verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis.[3]

Het is nog steeds niet duidelijk of deze melding ook geldt als een ‘melding betalingsonmacht’ voor de afdracht van de pensioenpremies.

Verlaging invorderingsrente en betalingskorting
De invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn is vanaf 23 maart 2020 tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Dit geldt voor alle belastingschulden.

Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting bij betaling ineens van een voorlopige belastingaanslag inkomsten- en vennootschapsbelasting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend voor ondernemers. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor de invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat ondernemers nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op de betalingskorting.

Ondernemers die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast wordt de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% gehouden.

Aanvullende fiscale maatregelen

Gebruikelijk loon DGA
Een aanmerkelijkbelanghouder, die werkzaam is voor de bv waar hij de aandelen in bezit (bijvoorbeeld een DGA), heeft te maken met de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB. De Staatssecretaris van Financiën keurt onder voorwaarden goed dat gezien de coronacrisis het gebruikelijk loon alleen voor 2020 wordt bepaald volgens de navolgende berekening:[4]

Gebruikelijk loon 2020 = A x B/C

A = het gebruikelijk loon over 2019

B = de omzet over de eerste vier kalendermaanden van 2020

C = de omzet over de eerste vier kalendermaanden van 2019

De omzet is exclusief de omzetbelasting.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • De rekening-courantschuld of het dividend neemt niet toe als gevolg van het lagere gebruikelijk loon.
  • Als de aanmerkelijkbelanghouder feitelijk meer loon heeft genoten, dan volgt uit bovenstaande berekening, geldt dat hogere loon. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een bv voor de aanmerkelijkbelanghouder gebruikmaakt van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (de NOW). Een eventuele uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (de Tozo) vormt geen genoten loon uit de dienstbetrekking en heeft daarom geen gevolgen voor het gebruikelijk loon.
  • Deze goedkeuring geldt niet voor zover de omzet in het jaar 2019 of 2020 is beïnvloed door andere bijzondere oorzaken, zoals oprichting, staking, fusie, splitsing en bijzondere resultaten.

Deze goedkeuring kan tot gevolg hebben dat het loon van de aanmerkelijkbelanghouder lager is dan € 46.000, 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het loon van de meestverdienende werknemer (zie artikel 12a lid 1 Wet LB).

Deze goedkeuring leidt uiteraard niet tot een hoger gebruikelijk loon en laat de wettelijke mogelijkheden onverlet om een lager gebruikelijk loon aannemelijk te maken.

Betrokkenen kunnen deze goedkeuring zonder overleg met de inspecteur toepassen. Desgewenst kunnen betrokkenen in andere gevallen overleggen met de bevoegde inspecteur over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling in hun situatie. Dat geldt ook voor situaties die niet (rechtstreeks) onder deze goedkeuring vallen, maar waar wel knelpunten optreden.

Bij bijzondere situaties passen maatwerkoplossingen. Zo kan bij een verliessituatie van de vennootschap de voornoemde goedkeuring leiden tot een lager gebruikelijk loon. In geval van bijkomende omstandigheden is het mogelijk een (nog) lager gebruikelijk loon vast te stellen.

Urencriterium IB-ondernemer en de aangifte inkomstenbelasting 2020
Om in aanmerking te komen voor de ondernemersaftrek uit artikel 3.74 Wet IB 2001 (onder andere de zelfstandigenaftrek en de meewerkaftrek) of een dotatie aan de oudedagsreserve (artikel 3.67 Wet IB 2001) geldt het zogenoemde urencriterium uit artikel 3.6 Wet IB 2001. Dit houdt in dat de ondernemer ten minste 1.225 uren per kalenderjaar aan werkzaamheden voor zijn onderneming moet besteden om voor de ondernemersaftrek of een toevoeging aan de oudedagsreserve in aanmerking te komen.

Door de coronacrisis kan dit aantal in bepaalde bedrijfstakken niet worden gehaald. Dit zou betekenen dat die ondernemers – naast de opgelopen economische schade – ook nog het recht op bepaalde ondernemersfaciliteiten kunnen verliezen. Dit vindt de regering ongewenst.

Daarom heeft de staatssecretaris het urencriterium voor 2020 versoepeld.[5] De Belastingdienst neemt voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, aan dat er ten minste 24 uren per week aan de onderneming(en) is besteed.

Ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten en die normaliter in de periode van 1 maart tot en met 31 mei een piek hebben in het aantal uren dat zij besteden aan de onderneming, worden geacht een gelijk aantal uren te hebben besteed in dezelfde periode in 2020 als het aantal uren dat is besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019. Die ondernemer kan in dat geval met behulp van de administratie van vorig jaar bepalen hoeveel uren hij aan de onderneming heeft besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019.

Voor startende ondernemers, die arbeidsongeschikt zijn, geldt een gelijksoortige regeling. In artikel 3.78a Wet IB 2001 is bepaald dat er minimaal 800 uur moet zijn besteed aan de werkzaamheden. Om dit aantal aan te tonen kan deze ondernemer voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ervan uitgaan dat er ten minste 16 uren per week aan de onderneming(en) is besteed. De hiervoor genoemde goedkeuring voor ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten is van overeenkomstige toepassing.

Werkkostenregeling
Via de vrije ruimte van de werkkostenregeling kunnen werkgevers vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers geven zonder dat deze met loonbelasting belast worden. Werkgevers kunnen zelf bepalen waaraan en óf zij de vrije ruimte willen besteden, voor zover dit gebruikelijk is.

De vrije ruimte wordt berekend als 1,7% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000 plus 1,2% van het restant van die loonsom (artikel 31a lid 3 Wet LB). De staatssecretaris verhoogt de vrije ruimte voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever eenmalig en tijdelijk naar 3% voor het jaar 2020.[6] Dat biedt mogelijkheden aan werkgevers, die daar de ruimte voor hebben, om hun werknemers in deze moeilijke tijd extra tegemoet te komen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een bloemetje of een cadeaubon.

Naast deze toezegging heeft de staatssecretaris al eerder toegezegd dat de belastingvrije reiskostenvergoeding, ook na zes weken, onbelast blijft. Deze vergoeding soupeert dus geen vrije ruimte in de werkkostenregeling op.[7]

Fiscale coronareserve
De Staatssecretaris van Financiën keurt onder voorwaarden goed dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting bij het bepalen van de in het boekjaar 2019 genoten winst een fiscale reserve kunnen vormen (coronareserve).[8] Deze coronareserve kan worden gevormd voor het gehele of gedeeltelijke zogenoemde ‘coronagerelateerde verlies’ (zie hierna) dat zich naar verwachting in het boekjaar 2020 voordoet.

Met het vormen van de fiscale coronareserve wordt beoogd dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting het verwachte coronagerelateerde verlies in 2020 geheel of gedeeltelijk ten laste van de winst van 2019 kunnen brengen, waardoor de winst van 2019 en het verwachte verlies van 2020 gelijkmatiger over deze jaren wordt verdeeld. Hiermee is uitsluitend bedoeld om een liquiditeitsvoordeel te verlenen. Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • Er is sprake van een verwacht ‘coronagerelateerd verlies’ in het boekjaar 2020. Hieronder wordt verstaan het over het boekjaar 2020 verwachte verlies in de zin van artikel 20, eerste lid, Wet Vpb 1969, voor zover dat verlies verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover sprake is van een verlies door omzetderving vanwege de door de overheid genomen coronamaatregelen.
  • Het verwachte coronagerelateerde verlies kan niet groter zijn dan het totale verlies dat de belastingplichtige verwacht over het boekjaar 2020. Vorming van een coronareserve is dus niet mogelijk als de inschatting is dat over het boekjaar 2020 een positieve belastbare winst wordt genoten. De belastingplichtige maakt zelf een zo goed mogelijke inschatting van de verwachte omvang van het coronagerelateerde verlies.
  • De dotatie aan de coronareserve in het boekjaar 2019 bedraagt maximaal de winst over het boekjaar 2019 die zou gelden zonder de vorming van deze reserve.
  • De reserve wordt uiterlijk in het boekjaar 2020 volledig in de winst opgenomen. Bij het opnemen van de fiscale coronareserve in de winst dienen dezelfde bepalingen van toepassing te zijn bij het bepalen van de winst als bij de vorming van deze reserve in het daaraan voorafgaande boekjaar.
  • De dotatie aan de coronareserve wordt in de aangifte vennootschapsbelasting 2019 opgenomen in de rubriek overige fiscale reserves. De vrijval in het boekjaar 2020 wordt als onttrekking in deze rubriek opgenomen in de aangifte vennootschapsbelasting 2020.

De belastingplichtige die een beroep wil doen op deze goedkeuring kan door middel van een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag of het indienen van de aangifte (een deel van) de eerder verschuldigde vennootschapsbelasting over het boekjaar 2019 verminderen. Als de belastingplichtige al aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 2019 heeft gedaan en gebruik wil maken van deze goedkeuring, kan de belastingplichtige een aanvulling op de aangifte indienen, door middel van het indienen van een nieuwe aangifte.

Belastingplichtigen die een boekjaar hanteren dat niet gelijk is aan het kalenderjaar, kunnen in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020 een fiscale coronareserve vormen. De reserve wordt in dat geval uiterlijk in het boekjaar na het boekjaar waarin de reserve is gevormd volledig in de winst opgenomen. De voorwaarden voor de goedkeuring zijn overeenkomstig van toepassing.

Uitstel inwerkingtreding wetsvoorstel excessief lenen
Het aangekondigde wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap’ heeft een geplande inwerkingtreding per 2022. Het wetsvoorstel maakt het belasten van schulden van de DGA aan de eigen vennootschap die hoger zijn dan € 500.000 (exclusief eigenwoningschulden) mogelijk.

Dit kan betekenen dat DGA’s met een hogere schuld deze in de aanloop naar de inwerkingtreding van de wet willen aflossen tot in ieder geval de vastgestelde € 500.000. Vanwege de coronacrisis kan dat volgens de staatssecretaris op dit moment mogelijk lastiger voor hen zijn. Om DGA’s hierin tegemoet te komen wil het kabinet de inwerkingtreding van de wet uitstellen tot 1 januari 2023. DGA’s hebben dan tot 31 december 2023 (eerste peildatum) om te anticiperen op het wetsvoorstel.

Deze wijziging wordt, samen met de andere aanpassingen naar aanleiding van de internetconsultatie en het advies van de Raad van State, meegenomen in het wetsvoorstel dat binnenkort aan de Tweede Kamer wordt gezonden.

Termijn terugwerkende kracht bij geruisloze omzetting en geruisloze terugkeer
Geruisloze omzetting van een IB-onderneming in een bv en de geruisloze terugkeer uit de bv is onder voorwaarden met terugwerkende kracht naar het begin van het jaar mogelijk (overgangstijdstip).[9] Een van de voorwaarden voor terugwerking is dat bepaalde juridische handelingen worden verricht binnen vijftien maanden na het tijdstip waarnaar terugwerking wordt gewenst. Deze termijn voor terugwerking van geruisloze omzetting en geruisloze terugkeer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 is op 31 maart 2020 verstreken.

De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat deze termijn niet wordt gehaald. Dit kan ertoe leiden dat de onderneming niet met terugwerkende kracht geruisloos kan worden omgezet of kan terugkeren. Gelet op de bijzondere omstandigheden vindt de staatssecretaris van Financiën dit niet redelijk.

Hij keurt daarom in het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 goed dat de inspecteur de termijn van vijftien maanden met drie maanden verlengt wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Termijn terugwerkende kracht bij bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing
Voor de faciliteiten van de bedrijfsfusie, de juridische fusie en de splitsing waarbij gebruik wordt gemaakt van terugwerkende kracht naar het begin van het boekjaar wordt de eis gesteld dat bepaalde juridische handelingen binnen twaalf maanden (voor bedrijfsfusie 15 maanden) tot het moment dat de faciliteit terugwerkt, moeten zijn verricht.

De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat deze termijn niet wordt gehaald, wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. Dit kan ertoe leiden dat de desbetreffende juridische handelingen niet met terugwerkende kracht geruisloos kunnen plaatsvinden.

Gelet op de bijzondere omstandigheden vindt de staatssecretaris dit niet redelijk.

Hij keurt daarom in het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 goed dat de inspecteur de termijnen voor de juridische fusie, de splitsing en de bedrijfsfusie met drie maanden verlengt wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Overwerk en differentiatie WW-premie
Sinds 1 januari 2020 betalen werkgevers, onder de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. In het verlengde daarvan is in het Besluit Wfsv opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze bepaling leidt nu tot onbedoelde effecten in sectoren waar vanwege het coronavirus veel extra overwerk nodig is, zoals de zorg.

In een brief van 22 april 2020 aan de Tweede Kamer is door Minister Koolmees en staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd dat de bepaling, dat voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt de hoge WW-premie moeten worden afdragen, daarom voor 2020 voor alle werkgevers wordt opgeschort.

Tegemoetkomingen kredietverlening

Verruiming van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)
De financiering voor ondernemers via de speciale coronaregeling van de Borgstelling Midden- en Kleinbedrijf (BMKB) is verder versoepeld. De looptijd van een krediet is verlengd tot vier jaar, zodat ondernemers meer tijd hebben om deze terug te betalen. De toegang tot de BMKB is bovendien laagdrempeliger gemaakt. De benodigde uitgebreide liquiditeitsprognose kan worden vervangen door een omzettoets.

Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)
De Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) verstrekken sinds eind april 2020 overbruggingskredieten aan non bancair gefinancierde mkb-bedrijven die hiervoor moeilijk bij de bank terecht kunnen.

Groeibedrijven kunnen sinds 29 april 2020 bij de ROM’s een aanvraag indienen voor een speciaal overbruggingskrediet, de zogenaamde Corona-Overbruggingslening (COL). De leningen die de ROM’s gaan verstrekken variëren tussen de € 50.000 en € 2 miljoen. Bij bedragen boven de € 250.000 wordt er 25% cofinanciering verwacht van de aandeelhouders of andere investeerders. Er wordt een uniform rentetarief gehanteerd van 3%. De ROM’s streven ernaar de beoordelingen van de aanvragen onder de € 500.000 af te handelen binnen vier tot negen werkdagen. Voor aanvragen boven de € 500.000 is het streven om binnen drie werkweken tot een definitief besluit te komen.

Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC)
De Klein Krediet Corona (KKC) garantieregeling is specifiek bedoeld voor kleine ondernemers met een omzet vanaf € 50.000 die voor de coronacrisis voldoende winstgevend waren en die sinds 1 januari 2019 staan ingeschreven in het handelsregister.[10]
De KKC betekent dat deze ondernemers een lening kunnen aanvragen van minimaal € 10.000 en maximaal € 50.000. De looptijd is maximaal 5 jaar en de rente bedraagt maximaal 4%. Daarnaast betalen de ondernemers aan de staat een eenmalige premie van 2% als vergoeding.

Deze nieuwe garantieregeling bevat een overheidsgarantie van 95% op leningen van financiers aan bedrijven. Door dit hoge garantiepercentage kan een groot aantal ondernemers worden geholpen en kan het kredietbeoordelingsproces grotendeels geautomatiseerd plaatsvinden. 
De banken bieden de leningen met KKC-garantie aan. In ieder geval hebben Rabobank, ABN AMRO, ING, de Volksbank en Triodos toegezegd deze regeling aan te bieden. Andere financiers die geaccrediteerd zijn voor de BMKB-C mogen de regeling ook aanbieden. Overige financiers kunnen zich daarvoor bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) laten accrediteren. 

Een goede toetsing van de kredietaanvragen door de aanbieders van de regeling blijft volgens de Minister van Economische Zaken en Klimaat van belang. Bij de risicobeoordeling wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat alleen kredieten worden verstrekt aan in de kern gezonde bedrijven met terugbetaalcapaciteit. Het is ook in deze bijzondere situatie volgens de minister van belang dat banken ondernemers met gepaste zorgvuldigheid behandelen. De banken hebben onder meer aangegeven zich te houden aan de Gedragscode Kleinzakelijke kredietverlening.

De Europese Commissie moet de regeling nog goedkeuren. De daadwerkelijke inwerkingtreding en de vormgeving van de regeling zijn afhankelijk van de goedkeuring van de Europese Commissie. Het streven is dat de KKC uiterlijk half mei 2020 beschikbaar is.

Particulieren


De volgende maatregelen voor particulieren zijn nieuw dan wel aangepast:

  1. Compensatie eigen bijdrage kinderopvang.
  2. Besluit Betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld.
  3. Verlaging invorderingsrente en betalingskorting.

Compensatie eigen bijdrage kinderopvang
Aan ouders die gebruik maken van kinderopvang, is gevraagd de gehele factuur aan de kinderopvang te blijven betalen. Ook als zij op dit moment niet van kinderopvang gebruik kunnen maken. Hierdoor betalen zij een eigen bijdrage voor een dienst die nu noodgedwongen niet wordt geleverd.

Ouders die de factuur blijven doorbetalen, krijgen daarom de eigen bijdrage gecompenseerd. Dit geldt zowel voor kinderdagopvang, buitenschoolse opvang, als gastouderopvang.

Er is echter besloten dat de vergoeding in één bedrag door de SVB rechtstreeks aan de ouders wordt uitbetaald over de periode van 16 maart 2020 tot en met 28 april 2020. In een brief van 17 april 2020 aan de Tweede Kamer hebben staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris van Huffelen van Financiën aangegeven dat de uitbetaling in de maand juni of uiterlijk juli plaatsvindt.[11] 
Op 21 april 2020 heeft de overheid echter besloten dat de basisscholen en de kinderopvang vanaf 11 mei 2020 weer opengaan op een aangepaste manier. De overheid heeft aangegeven dat zij de eigen bijdrage voor de kinderopvang blijft vergoeden aan ouders. Een einddatum is hierbij nog niet genoemd. De eenmalige uitkering zal derhalve betrekking hebben op een langere periode. De uitbetaling zal dan ook mogelijk pas op een later moment plaatsvinden.

Besluit Betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld
De staatssecretaris geeft in het Besluit Betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld

Van 6 mei 2020 belastingplichtigen, die als gevolg van de coronacrisis tijdelijk niet in staat zijn om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, de mogelijkheid tot een betaalpauze in de aflossing en de rentebetaling op hun eigenwoninglening die is afgesloten sinds 1 januari 2013. Met dit besluit blijft de eigenwoningschuld in box 1 en daarmee de eigenwoningrente (voor zover deze is betaald) aftrekbaar.[12]

In het besluit wordt uitgegaan van een betaalpauze voor de eigenwoningschuld van maximaal zes maanden. In die periode wordt er geen (of minder) rente en aflossing betaald ter zake van de hypotheek. De ‘achterstallige’ annuïteiten moeten op enig moment wel alsnog worden voldaan.

Betaalpauze bij een administratieplichtige (zoals een bank)
De belastingplichtige, die die zich tussen 12 maart 2020 en 30 juni 2020 meldt of heeft gemeld bij een kredietverstrekker die kwalificeert als administratieplichtige (artikel 52 lid 2 AWR), en met deze kredietverstrekker in verband met dreigende betalingsproblemen door het coronavirus een betaalpauze overeenkomt van maximaal zes maanden kan gebruik maken van dit besluit. De betaalpauze moet uiterlijk op 1 juli 2020 ingaan en schriftelijk worden bevestigd.

Betaalpauze bij een niet-administratieplichtige (zoals ouders of een eigen bv)
Voor een betaalpauze bij een niet-administratieplichtige gelden dezelfde voorwaarden als bij administratieplichtigen. Daarnaast moet ook aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  1. De belastingplichtige heeft als gevolg van de uitbraak van het coronavirus een terugval in arbeidsinkomen, bedoeld in artikel 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001, van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden of verwacht deze redelijkerwijs te hebben, waarbij:
    1. De periode van drie aaneengesloten kalendermaanden moet aanvangen in het tijdvak vanaf 1 maart 2020 tot en met 1 juli 2020;
    1. Om te bepalen of sprake is van een terugval van ten minste 20% wordt het arbeidsinkomen uit de periode onder a vergeleken met:
      1. ¼ deel van het totale arbeidsinkomen over 2019; of
      1. het arbeidsinkomen in het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.
  2. De belastingplichtige moet aannemelijk kunnen maken dat hij aan alle voorwaarden voldoet, waarbij voor voorwaarde 1 geldt dat de belastingplichtige de terugval aannemelijk moet kunnen maken op basis van een reële schatting of al beschikbare gegevens.

Arbeidsinkomsten
Onder arbeidsinkomen wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van wat door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (artikel 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001).

Aflossingsafspraken met behoud van eigenwoningrente-aftrek

  1. Na zes maanden een nieuw aflossingsschema

Na afloop van de uitstelperiode van maximaal zes maanden kan een nieuw annuïtair schema worden vastgesteld op basis waarvan het inhalen van de aflossingsachterstand wordt uitgesmeerd over de resterende looptijd (van maximaal 360 maanden) van de lening. Dit moet schriftelijk gebeuren. Het nieuwe aflossingsschema is gebaseerd op de omvang van de schuld overeenkomstig het oorspronkelijk overeengekomen lopende aflossingsschema op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van het nieuwe aflossingsschema verhoogd met de aflossingsachterstand als gevolg van de betaalpauze.

Het nieuwe aflossingsschema moet zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze worden overeengekomen en ingaan (rekening houdend met administratieve mogelijkheden). Het nieuwe aflossingsschema moet uiterlijk op 1 januari 2022 ingaan.

  • Splitsen van resterende lening en achterstand

Het is ook mogelijk de resterende lening te splitsen in een lening waarbij voor de resterende hoofdsom zonder rekening te houden met de aflossingsachterstand het bestaande annuïtaire schema van toepassing blijft en een lening waarbij voor het deel van de aflossingsachterstand een afzonderlijke (hypothecaire) lening met een eigen annuïtair schema wordt afgesloten waarbij de looptijd maximaal gelijk is aan de resterende looptijd van de oorspronkelijke hoofdsom. Afhankelijk van de draagkracht van de klant kan voor deze lening ook een kortere looptijd gelden.

Als toetsmoment geldt in dit geval de dag waarop de betaalpauze afloopt.

Het nieuwe aflosschema moet voor het nieuwe deel zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze worden overeengekomen en ingaan (rekening houdend met administratieve mogelijkheden). Het nieuwe aflossingsschema moet uiterlijk op 1 januari 2022 ingaan.

Voorbeeld uit het besluit
Een belastingplichtige heeft een eigenwoningschuld van na 1 januari 2013. Door de uitbraak van het coronavirus komt hij in betalingsproblemen. Hij komt met zijn bank een betaalpauze van zes maanden overeen ingaande op 1 juli 2020. Stel dat de schuld op basis van het oude aflossingsschema op 31 december 2020 € 114.000 had moeten zijn. Door de betaalpauze is de schuld € 117.000. De aflossingsachterstand is derhalve € 3.000. Door de goedkeuring mag direct na afloop van de betaalpauze per 1 januari 2021 de resterende schuld van € 117.000 worden gesplitst in het oude deel van € 114.000, waarvoor het oorspronkelijke aflosschema wordt voortgezet en in een nieuw deel van € 3.000 (aflossingsachterstand). Voor dit nieuwe deel wordt een nieuw aflossingsschema overeengekomen met maximaal dezelfde resterende looptijd. Beide schulden blijven behoren tot de eigenwoningschuld en de aflossingsachterstand moet worden ingehaald binnen maximaal de resterende looptijd.

Eigenwoningrente
Als er geen rente wordt betaald, is er ook niets aftrekbaar (artikel 3.147 Wet IB 2001). Als het feitelijke betalingsmoment pas in een later jaar (bijvoorbeeld 2021) ligt, is de rente ook pas in dat latere jaar (2021) aftrekbaar. De rente is alleen in 2020 aftrekbaar als:

  • Deze rente alsnog (na de betaalpauze) in 2020 wordt betaald, óf
  • Deze rente in 2020 is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden.

Het besluit van de staatssecretaris gaat in het kader van de aftrekbaarheid in op een drietal aspecten:

  1. Er moet sprake zijn van een beschikkingshandeling van de geldverstrekker waaruit blijkt dat het bedrag van de verschuldigde rente vaststaat en dat dit bedrag rentedragend schuldig wordt gebleven.
  2. Er moet rente in rekening worden gebracht.
  3. Er moet reële zekerheid bestaan dat de verschuldigde rente ook feitelijk zal worden betaald om het nominale bedrag van de verschuldigde rente in aftrek te kunnen brengen.

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat uit de leningsovereenkomst moet blijken dat bij achterstallige aflossingen rente in rekening kan worden gebracht en tijdens de adempauze (onder vermelding van hoogte percentage of bedrag) ook gebeurt. Daarbij kan het rentepercentage 0% zijn.

De Belastingdienst neemt bij aspect 3 aan dat voor schulden bij administratieve instellingen aan het derde aspect is voldaan. Voor schulden bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat aan het derde aspect wordt voldaan.

Verlaging invorderingsrente en betalingskorting
De invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn is vanaf 23 maart 2020 tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Dit geldt voor alle belastingschulden.

Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting bij betaling ineens van een voorlopige belastingaanslag inkomstenbelasting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor de invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat particulieren nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op de betalingskorting.

Particulieren die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast wordt de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% gehouden.

Aankondiging 20 mei 2020
Op 20 mei 2020 is door het kabinet het noodpakket 2.0 aangekondigd.

De NOW
De NOW wordt met vier maanden verlengd (openstelling per 6 juli 2020). Werkgevers met tenminste 20% verwacht omzetverlies, kunnen voor over de periode tot 1 oktober 2020 een NOW-subsidie aanvragen. De omzetdaling wordt vastgesteld over een viermaandsperiode (start op 1 juni, 1 juli, 1 augustus of 1 september 2020). De referentiemaand voor de loonsom is maart 2020 (peildatum 15 mei 2020). De forfaitaire opslag voor aanvullende lasten en kosten wordt 40%.

De tweede NOW-tranche volgt verder de systematiek van de eerste tranche. De maximale uitkering is de uitkomst van:

%geschatte omzetdaling x loonsom maart 2020 x 4 x (100% + 40% toeslag) x 90%

Bij gebruik van de tweede NOW-tranche mag over 2020 en 2021 geen dividend of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden ingekocht. Verder is er een inspanningsverplichting voor werkgevers om hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen.

Bij de afrekening wordt de tweede NOW-tranche voor ontslagaanvragen nog maar voor 100% gecorrigeerd. Bij grotere ontslagaanvragen in het kader van de Wet Melding Collectief Ontslag (ontslag om bedrijfseconomische redenen 20 of meer werknemers) zal een korting van 5% van de uiteindelijke NOW-subsidie worden opgelegd, tenzij er een akkoord over de ontslagaanvraag is bereikt tussen de werkgever en de belanghebbende vakbonden, de (C)OR of de Stichting van de Arbeid.

Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB
De sectoren die onder de huidige Togs vallen komen in aanmerking voor de nieuwe regeling ‘Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB’. Deze bedrijven krijgen maximaal € 50.000 voor vier maanden. Voorwaarde is een omzetverlies van minstens 30%. De tegemoetkoming is vrijgesteld van belastingheffing.

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 2)
De Tozo wordt eenmalig met vier maanden verlengd (Tozo 2). Voor Tozo 2 geldt een partnerinkomenstoets. Om een snelle uitvoering te waarborgen wordt een verklaring gevraagd van de ondernemer en diens partner dat er sprake is van een situatie waarin het huishoudinkomen onder het sociaal minimum terecht is gekomen als gevolg van de coronacrisis.

Zelfstandig ondernemers kunnen ook weer een rentedragende lening bij hun gemeente afsluiten van maximaal € 10.157. Er is een verklaring nodig dat er geen sprake is van surseance van betaling of faillissement.

Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA)
De TOFA is bedoeld voor werknemers met een flexibel contract, die door de coronacrisis (bijna) geen inkomsten hebben en geen uitkering kunnen krijgen. De voorwaarden zijn

  • Per 1 april 2020 minimaal 18 jaar en nog niet de AOW-leeftijd bereikt.
  • Het sv-loon over februari 2020 was minimaal € 400, maart 2020 minimaal € 1, en april 2020 maximaal € 550.
  • Het sv-loon over april 2020 was minimaal 50% lager dan dat over februari 2020.
  • Geen uitkering of andere tegemoetkoming in april 2020.

Uitstel van belastingbetaling
Het uitstel van belastingbetaling is verlengd tot 1 oktober 2020. Voor uitstel langer dan drie maanden moet een ondernemer verklaren geen dividenden en bonussen te zullen uitkeren, of eigen aandelen te zullen inkopen.

Tenslotte
In deze bijdrage is een – niet uitputtende – reeks van maatregelen besproken die helpen om de economische en financiële pijn van de coronacrisis te verlagen. Naast deze maatregelen zijn er nog vele andere. Bovendien worden de maatregelen regelmatig aangepast en aangevuld om de maatregelen efficiënter te maken of om niet bedoelde effecten te ondervangen.

Houdt dus de ontwikkelingen goed in de gaten.


[1] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.5.

[2] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 3.1.

[3] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 3.3.3.

[5] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.2.

[6] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 6.4.

[7] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 6.2.

[8] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html.

[9] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.

[10] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.3.

[11] Besluit regelende een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouder in de kosten voor

kinderopvang in verband met COVID-19 (Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO): https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-932275

De gevolgen van de maatregelen inzake het Covid-19 virus voor het financieel advies (deel 2)

De auteurs bespreken in deze bijdrage een groot aantal, voor de financieel planner, relevante maatregelen om de financieel economische schade van het Covid-19 virus te beperken.

Drs. J.E. van den Berg

Drs. J.E. van den Berg, Duoberg Consultants BV en verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, fiscale economie.

Drs. J.H.J. Brauwers

Drs. J.H.J. Brauwers, begeleidt en adviseert professionals op het gebied van vermogensplanning, vermogensstructurering, estate planning, bedrijfsoverdracht en -opvolging.

Inleiding

Om voor ondernemers en particulieren de economische effecten van het Covid-19-virus (coronavirus) zo veel mogelijk te verzachten is een scala aan maatregelen geïntroduceerd. In het meinummer (VFP 2020/5) zijn de belangrijkste maatregelen naar de stand van zaken per 20 april 2020 beschreven.

Deze bijdrage geeft een overzicht van de belangrijkste nieuwe maatregelen en de belangrijkste aanpassingen in bestaande maatregelen sinds 20 april 2020. Enerzijds om de financieel planner achtergrondinformatie te geven, zodat de klant hierover kan worden geïnformeerd. Anderzijds een aantal praktische voorbeelden of aandachtspunten voor het financieel advies. Deze bijdrage is in samenwerking met de FFP gemaakt.

De tekst is gebaseerd op de stand van zaken per 20 mei 2020. Hierna worden de maatregelen toegelicht.

Ondernemers

De volgende maatregelen voor ondernemers zijn nieuw dan wel aangepast:

  1. Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkbehoud (NOW).
  2. Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo).
  3. Tegemoetkoming voor ondernemers getroffen sectoren (Togs).
  4. Verlaging invorderingsrente en betalingskorting
  5. Verlaging invorderingsrente en betalingskorting
  6. Aanvullende fiscale maatregelen.
  7. Overwerk en differentiatie WW-premie.
  8. Tegemoetkoming kredietverleningen.

Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW)

De ‘Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid’ (NOW) beoogt ondernemingen die onder de huidige bijzondere omstandigheden gedurende een aaneengesloten periode van 3 maanden te maken hebben met een omzetverlies van meer dan 20% een tegemoetkoming in de loonkosten te geven.

Uitgangspunt in de regeling is dat bij een grotere samenstelling van rechtspersonen of natuurlijke personen, zoals een concern, de omzetdaling van de gehele groep de basis is.

Dit kan er echter toe leiden dat sommige werkmaatschappijen met een forse omzetdaling geen subsidie krijgen, omdat andere onderdelen van het concern wel goed blijven draaien.

De NOW is na 20 april 2020 verruimd voor concerns. Deze verruiming betekent dat als bij het concern sprake is van minder dan 20% omzetdaling, maar een individuele werkmaatschappijen wel een omzetdaling van meer dan 20% heeft, deze individuele werkmaatschappij subsidie voor de loonkosten kan aanvragen op basis van de omzetdaling van de werkmaatschappij (in plaats van het concernniveau).

Voor deze mogelijkheid gelden de volgende voorwaarden:

  • De werkmaatschappij moet een eigen rechtspersoonlijkheid hebben. Onderdelen van rechtspersonen, zoals een autonoom aan het economisch verkeer deelnemende onderdeel, vestiging of een business unit komen niet in aanmerking.
  • Geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen. Concerns, waarvan de werkmaatschappij een beroep doet op de regeling, moeten verklaren over 2020 geen dividend of bonussen uit te keren of eigen aandelen terug te kopen tot aan en inclusief de datum van de aandeelhoudersvergadering waarin de jaarrekening over 2020 wordt vastgesteld.
  • Werkmaatschappijen moeten een overeenkomst met de betrokken vakbonden hebben over werkbehoud.
  • Er is geen personeels-bv binnen het concern.

Concerns met personeel-bv’s moeten altijd uitgaan van de omzetdaling op concernniveau.

  • Aanvullende accountantscontroles.

De accountant moet controleren dat, met als doel de NOW-subsidie te maximaliseren, binnen het concern niet geschoven wordt met omzet, personeel, interne doorbelastingen (het gehanteerde transfer pricingsysteem) en voorraad gereed product. In de nog uit te werken standaarden van accountants wordt dit nog nader gedefinieerd.

Seizoenswerk

Het kabinet onderkent dat voor sommige sectoren of bedrijven de NOW weinig of geen soelaas biedt, vanwege seizoenpatronen in de omzet of de loonkosten.

Het probleem van seizoenswerk vraagt om maatwerk en een aparte regeling. Het kabinet zoekt hard naar een oplossing.

In een aantal urgente gevallen – de sierteelt en de culturele sector, die op bijzondere wijze aan het seizoen gebonden zijn – blijkt het al mogelijk om specifieke maatregelen te treffen door aan te sluiten bij bestaande gegevens of subsidiestromen.

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo)

Zelfstandige ondernemers die door de coronacrisis in financiële problemen zijn gekomen kunnen een beroep doen op de ‘Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers’ (Tozo). Deze regeling is niet alleen voor zzp’ers bedoeld, maar ook voor zelfstandige ondernemers met personeel als zij aan de criteria voldoen en DGA’s. De Tozo wordt uitgevoerd door de gemeenten. De Tozo is tijdelijk en geldt voor drie maanden (maart, april en mei 2020).

Om in aanmerking te komen voor de ondersteuning dient aan een aantal voorwaarden te worden voldaan. Ondersteuning op grond van de Tozo kan worden aangevraagd in de vorm van een bijstandsuitkering voor levensonderhoud (maximaal € 1.500 netto voor gehuwden of € 1.050 netto per maand voor alleenstaanden vanaf 21 jaar) en/of in de vorm van een lening voor bedrijfskapitaal (lening van maximaal € 10.157 tegen 2% rente).

De Tozo is na 20 april 2020 op twee punten verruimd.

Door de eerste verruiming kunnen zelfstandige ondernemers met de AOW-gerechtigde leeftijd een beroep kunnen doen op de lening voor bedrijfskapitaal.

De tweede verruiming ziet op de volgende grensoverschrijdende situaties.

Een zelfstandige die in Nederland woont en een bedrijf in een andere EU-lidstaat heeft kan bijstand voor levensonderhoud krijgen. Hij heeft geen recht op de lening voor bedrijfskapitaal. Daarvoor is hij aangewezen op de regeling van het land waar het bedrijf is gevestigd.

Daarnaast is geregeld dat de zelfstandige die in een andere EU-lidstaat woont en een bedrijf in Nederland heeft een beroep kan doen op de lening voor bedrijfskapitaal. Deze zelfstandige heeft geen recht op de bijstand voor levensonderhoud. Daarvoor is hij aangewezen op de sociale bijstand in het woonland.

Uiteraard geldt dat de zelfstandige ook aan de overige voorwaarden voor de Tozo moet voldoen.

Tegemoetkoming voor ondernemers getroffen sectoren (Togs)

Sinds vrijdag 27 maart 2020 kunnen door corona getroffen ondernemers uit een aantal sectoren onder voorwaarden eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 netto per onderneming krijgen.

Nevenactiviteit komt ook in aanmerking

Gebleken is, dat er ondernemers zijn, die geen aanspraak kunnen maken op de Togs met hun geregistreerde hoofdactiviteit, terwijl dit wel het geval zou zijn op basis van hun geregistreerde nevenactiviteit.

Deze ondernemers kunnen sinds 29 april 2020 ook op basis van hun in het Handelsregister geregistreerde nevenactiviteit aanspraak maken op de Togs.

Aankondiging vrijstelling Togs-vergoeding

Ondernemingen kunnen onder voorwaarden aanspraak maken op een eenmalige tegemoetkoming van € 4.000 netto op grond van de Beleidsregel Tegemoetkoming ondernemers getroffen sectoren (Togs).

In het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 kondigt de staatssecretaris van Financiën aan dat, om belastingheffing over de Togs-vergoeding te voorkomen, in het pakket Belastingplan 2021 met terugwerkende kracht zal worden geregeld dat de tegemoetkoming niet tot de winst behoort.[1]

Uitstel van betaling belasting

Ondernemers (inclusief zzp’ers) hebben de mogelijkheid tot bijzonder uitstel van betaling voor alle aanslagen inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting, omzetbelasting (btw) en, loonheffingen, kansspelbelasting, assurantiebelasting, verhuurdersheffing, milieubelastingen (energiebelasting/opslag duurzame energie, kolenbelasting, afvalstoffenbelasting, belasting op leidingwater), accijns (minerale oliën, alcohol en tabak), verbruiksbelasting alcoholvrije dranken, douanerechten en de belastingen Caribisch Nederland. Dit versoepelde uitstelbeleid geldt voor alle (openstaande) belastingschulden en vervalt op 19 juni 2020.[2]

Het is ook mogelijk voor een langere periode dan 3 maanden uitstel aan te vragen.

Bij een belastingschuld lager dan € 20.000 moeten er alleen bewijsstukken worden gestuurd waaruit blijkt dat de omzetcijfers of de bestellingen/reserveringen aanzienlijk zijn gedaald ten opzichte van vorige maanden. Op de website van de Belastingdienst zijn hierover duidelijke instructies opgenomen.

Bij een schuld hoger dan € 20.000 moet een verklaring van een zogenoemde derde-deskundige worden overlegd. De staatssecretaris van Financiën heeft in het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 aangegeven dat de verklaring van de derde-deskundige door de Belastingdienst wordt geaccepteerd als de verklaring in ieder geval de volgende elementen bevat:

  • Een verklaring dat aannemelijk is dat er sprake is van werkelijke betalingsproblemen op het moment van het verzoek om uitstel of naar verwachting op korte termijn daarna. Bij ‘korte termijn’ valt te denken aan de periode waarin de actuele beperkingen van het kabinet ten aanzien van de betreffende ondernemer gelden.
  • Een verklaring dat aannemelijk is dat deze betalingsproblemen hoofdzakelijk door de coronacrisis zijn ontstaan.
  • Een liquiditeitsprognose die volgens de derde-deskundige plausibel is. Deze prognose is opgesteld aan de hand van de feiten en omstandigheden die op het moment van het indienen van het verzoek om uitstel van betaling bekend zijn.

In de toelichting bij de verklaring geeft de derde-deskundige aan welke documenten of gegevens door de ondernemer zijn verstrekt. Zo nodig licht hij dit nader toe. Niet vereist is dat de derde-deskundige een zogenoemde assuranceverklaring geeft dat de ondernemer voldoet aan de voorwaarden.

Een derde-deskundige is bijvoorbeeld een externe consultant, een externe financier, een brancheorganisatie of belastingadviseur of accountant, maar niet iemand uit de eigen onderneming.

Tenslotte zullen teruggaven niet worden verrekend met nog openstaande aanslagen. Zo wordt de liquiditeitspositie niet verder aangetast.

Melding betalingsonmacht

Het verzoek om uitstel van betaling over aangiftetijdvakken die eindigen na 1 februari 2020, geldt als tijdige melding van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 36, tweede lid IW. De melding wordt bovendien rechtsgeldig geacht, tenzij achteraf blijkt dat de betalingsonmacht niet hoofdzakelijk verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis.[3]

Het is nog steeds niet duidelijk of deze melding ook geldt als een ‘melding betalingsonmacht’ voor de afdracht van de pensioenpremies.

Verlaging invorderingsrente en betalingskorting

De invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn is vanaf 23 maart 2020 tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Dit geldt voor alle belastingschulden.

Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting bij betaling ineens van een voorlopige belastingaanslag inkomsten- en vennootschapsbelasting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend voor ondernemers. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor de invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat ondernemers nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op de betalingskorting.

Ondernemers die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast wordt de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% gehouden.

Aanvullende fiscale maatregelen

Gebruikelijk loon DGA

Een aanmerkelijkbelanghouder, die werkzaam is voor de bv waar hij de aandelen in bezit (bijvoorbeeld een DGA), heeft te maken met de gebruikelijkloonregeling van artikel 12a Wet LB.

De Staatssecretaris van Financiën keurt onder voorwaarden goed dat gezien de coronacrisis het gebruikelijk loon alleen voor 2020 wordt bepaald volgens de navolgende berekening:[4]

Gebruikelijk loon 2020 = A x B/C

A = het gebruikelijk loon over 2019

B = de omzet over de eerste vier kalendermaanden van 2020

C = de omzet over de eerste vier kalendermaanden van 2019

De omzet is exclusief de omzetbelasting.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • De rekening-courantschuld of het dividend neemt niet toe als gevolg van het lagere gebruikelijk loon.
  • Als de aanmerkelijkbelanghouder feitelijk meer loon heeft genoten, dan volgt uit bovenstaande berekening, geldt dat hogere loon. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als een bv voor de aanmerkelijkbelanghouder gebruikmaakt van de Tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (de NOW). Een eventuele uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (de Tozo) vormt geen genoten loon uit de dienstbetrekking en heeft daarom geen gevolgen voor het gebruikelijk loon.
  • Deze goedkeuring geldt niet voor zover de omzet in het jaar 2019 of 2020 is beïnvloed door andere bijzondere oorzaken, zoals oprichting, staking, fusie, splitsing en bijzondere resultaten.

Deze goedkeuring kan tot gevolg hebben dat het loon van de aanmerkelijkbelanghouder lager is dan € 46.000, 75% van het loon van de meest vergelijkbare dienstbetrekking of het loon van de meestverdienende werknemer (zie artikel 12a lid 1 Wet LB).

Deze goedkeuring leidt uiteraard niet tot een hoger gebruikelijk loon en laat de wettelijke mogelijkheden onverlet om een lager gebruikelijk loon aannemelijk te maken.

Betrokkenen kunnen deze goedkeuring zonder overleg met de inspecteur toepassen. Desgewenst kunnen betrokkenen in andere gevallen overleggen met de bevoegde inspecteur over de toepassing van de gebruikelijkloonregeling in hun situatie. Dat geldt ook voor situaties die niet (rechtstreeks) onder deze goedkeuring vallen, maar waar wel knelpunten optreden.

Bij bijzondere situaties passen maatwerkoplossingen. Zo kan bij een verliessituatie van de vennootschap de voornoemde goedkeuring leiden tot een lager gebruikelijk loon. In geval van bijkomende omstandigheden is het mogelijk een (nog) lager gebruikelijk loon vast te stellen.

Urencriterium IB-ondernemer en de aangifte inkomstenbelasting 2020

Om in aanmerking te komen voor de ondernemersaftrek uit artikel 3.74 Wet IB 2001 (onder andere de zelfstandigenaftrek en de meewerkaftrek) of een dotatie aan de oudedagsreserve (artikel 3.67 Wet IB 2001) geldt het zogenoemde urencriterium uit artikel 3.6 Wet IB 2001. Dit houdt in dat de ondernemer ten minste 1.225 uren per kalenderjaar aan werkzaamheden voor zijn onderneming moet besteden om voor de ondernemersaftrek of een toevoeging aan de oudedagsreserve in aanmerking te komen.

Door de coronacrisis kan dit aantal in bepaalde bedrijfstakken niet worden gehaald. Dit zou betekenen dat die ondernemers – naast de opgelopen economische schade – ook nog het recht op bepaalde ondernemersfaciliteiten kunnen verliezen. Dit vindt de regering ongewenst.

Daarom heeft de staatssecretaris het urencriterium voor 2020 versoepeld.[5] De Belastingdienst neemt voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020, aan dat er ten minste 24 uren per week aan de onderneming(en) is besteed.

Ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten en die normaliter in de periode van 1 maart tot en met 31 mei een piek hebben in het aantal uren dat zij besteden aan de onderneming, worden geacht een gelijk aantal uren te hebben besteed in dezelfde periode in 2020 als het aantal uren dat is besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019. Die ondernemer kan in dat geval met behulp van de administratie van vorig jaar bepalen hoeveel uren hij aan de onderneming heeft besteed in de periode van 1 maart 2019 tot en met 31 mei 2019.

Voor startende ondernemers, die arbeidsongeschikt zijn, geldt een gelijksoortige regeling. In artikel 3.78a Wet IB 2001 is bepaald dat er minimaal 800 uur moet zijn besteed aan de werkzaamheden. Om dit aantal aan te tonen kan deze ondernemer voor de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020 ervan uitgaan dat er ten minste 16 uren per week aan de onderneming(en) is besteed. De hiervoor genoemde goedkeuring voor ondernemers die seizoengebonden werkzaamheden verrichten is van overeenkomstige toepassing.

Werkkostenregeling

Via de vrije ruimte van de werkkostenregeling kunnen werkgevers vergoedingen en verstrekkingen aan hun werknemers geven zonder dat deze met loonbelasting belast worden. Werkgevers kunnen zelf bepalen waaraan en óf zij de vrije ruimte willen besteden, voor zover dit gebruikelijk is.

De vrije ruimte wordt berekend als 1,7% van de fiscale loonsom tot en met € 400.000 plus 1,2% van het restant van die loonsom (artikel 31a lid 3 Wet LB).

De staatssecretaris verhoogt de vrije ruimte voor de eerste € 400.000 van de loonsom per werkgever eenmalig en tijdelijk naar 3% voor het jaar 2020.[6] Dat biedt mogelijkheden aan werkgevers, die daar de ruimte voor hebben, om hun werknemers in deze moeilijke tijd extra tegemoet te komen, bijvoorbeeld door het verstrekken van een bloemetje of een cadeaubon.

Naast deze toezegging heeft de staatssecretaris al eerder toegezegd dat de belastingvrije reiskostenvergoeding, ook na zes weken, onbelast blijft. Deze vergoeding soupeert dus geen vrije ruimte in de werkkostenregeling op.[7]

Fiscale coronareserve

De Staatssecretaris van Financiën keurt onder voorwaarden goed dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting bij het bepalen van de in het boekjaar 2019 genoten winst een fiscale reserve kunnen vormen (coronareserve).[8] Deze coronareserve kan worden gevormd voor het gehele of gedeeltelijke zogenoemde ‘coronagerelateerde verlies’ (zie hierna) dat zich naar verwachting in het boekjaar 2020 voordoet.

Met het vormen van de fiscale coronareserve wordt beoogd dat belastingplichtigen voor de vennootschapsbelasting het verwachte coronagerelateerde verlies in 2020 geheel of gedeeltelijk ten laste van de winst van 2019 kunnen brengen, waardoor de winst van 2019 en het verwachte verlies van 2020 gelijkmatiger over deze jaren wordt verdeeld. Hiermee is uitsluitend bedoeld om een liquiditeitsvoordeel te verlenen.

Voor deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:

  • Er is sprake van een verwacht ‘coronagerelateerd verlies’ in het boekjaar 2020. Hieronder wordt verstaan het over het boekjaar 2020 verwachte verlies in de zin van artikel 20, eerste lid, Wet Vpb 1969, voor zover dat verlies verband houdt met de gevolgen van de coronacrisis. Dat is bijvoorbeeld het geval voor zover sprake is van een verlies door omzetderving vanwege de door de overheid genomen coronamaatregelen.
  • Het verwachte coronagerelateerde verlies kan niet groter zijn dan het totale verlies dat de belastingplichtige verwacht over het boekjaar 2020. Vorming van een coronareserve is dus niet mogelijk als de inschatting is dat over het boekjaar 2020 een positieve belastbare winst wordt genoten. De belastingplichtige maakt zelf een zo goed mogelijke inschatting van de verwachte omvang van het coronagerelateerde verlies.
  • De dotatie aan de coronareserve in het boekjaar 2019 bedraagt maximaal de winst over het boekjaar 2019 die zou gelden zonder de vorming van deze reserve.
  • De reserve wordt uiterlijk in het boekjaar 2020 volledig in de winst opgenomen. Bij het opnemen van de fiscale coronareserve in de winst dienen dezelfde bepalingen van toepassing te zijn bij het bepalen van de winst als bij de vorming van deze reserve in het daaraan voorafgaande boekjaar.
  • De dotatie aan de coronareserve wordt in de aangifte vennootschapsbelasting 2019 opgenomen in de rubriek overige fiscale reserves. De vrijval in het boekjaar 2020 wordt als onttrekking in deze rubriek opgenomen in de aangifte vennootschapsbelasting 2020.

De belastingplichtige die een beroep wil doen op deze goedkeuring kan door middel van een verzoek tot herziening van de voorlopige aanslag of het indienen van de aangifte (een deel van) de eerder verschuldigde vennootschapsbelasting over het boekjaar 2019 verminderen. Als de belastingplichtige al aangifte vennootschapsbelasting over het boekjaar 2019 heeft gedaan en gebruik wil maken van deze goedkeuring, kan de belastingplichtige een aanvulling op de aangifte indienen, door middel van het indienen van een nieuwe aangifte.

Belastingplichtigen die een boekjaar hanteren dat niet gelijk is aan het kalenderjaar, kunnen in het laatste boekjaar dat eindigt in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 maart 2020 een fiscale coronareserve vormen. De reserve wordt in dat geval uiterlijk in het boekjaar na het boekjaar waarin de reserve is gevormd volledig in de winst opgenomen. De voorwaarden voor de goedkeuring zijn overeenkomstig van toepassing.

Uitstel inwerkingtreding wetsvoorstel excessief lenen

Het aangekondigde wetsvoorstel ‘Wet excessief lenen bij de eigen vennootschap’ heeft een geplande inwerkingtreding per 2022. Het wetsvoorstel maakt het belasten van schulden van de DGA aan de eigen vennootschap die hoger zijn dan € 500.000 (exclusief eigenwoningschulden) mogelijk.

Dit kan betekenen dat DGA’s met een hogere schuld deze in de aanloop naar de inwerkingtreding van de wet willen aflossen tot in ieder geval de vastgestelde € 500.000. Vanwege de coronacrisis kan dat volgens de staatssecretaris op dit moment mogelijk lastiger voor hen zijn. Om DGA’s hierin tegemoet te komen wil het kabinet de inwerkingtreding van de wet uitstellen tot 1 januari 2023. DGA’s hebben dan tot 31 december 2023 (eerste peildatum) om te anticiperen op het wetsvoorstel.

Deze wijziging wordt, samen met de andere aanpassingen naar aanleiding van de internetconsultatie en het advies van de Raad van State, meegenomen in het wetsvoorstel dat binnenkort aan de Tweede Kamer wordt gezonden.

Termijn terugwerkende kracht bij geruisloze omzetting en geruisloze terugkeer

Geruisloze omzetting van een IB-onderneming in een bv en de geruisloze terugkeer uit de bv is onder voorwaarden met terugwerkende kracht naar het begin van het jaar mogelijk (overgangstijdstip).[9] Een van de voorwaarden voor terugwerking is dat bepaalde juridische handelingen worden verricht binnen vijftien maanden na het tijdstip waarnaar terugwerking wordt gewenst. Deze termijn voor terugwerking van geruisloze omzetting en geruisloze terugkeer met terugwerkende kracht tot 1 januari 2019 is op 31 maart 2020 verstreken.

De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat deze termijn niet wordt gehaald. Dit kan ertoe leiden dat de onderneming niet met terugwerkende kracht geruisloos kan worden omgezet of kan terugkeren. Gelet op de bijzondere omstandigheden vindt de staatssecretaris van Financiën dit niet redelijk.

Hij keurt daarom in het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 goed dat de inspecteur de termijn van vijftien maanden met drie maanden verlengt wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Termijn terugwerkende kracht bij bedrijfsfusie, juridische fusie en splitsing

Voor de faciliteiten van de bedrijfsfusie, de juridische fusie en de splitsing waarbij gebruik wordt gemaakt van terugwerkende kracht naar het begin van het boekjaar wordt de eis gesteld dat bepaalde juridische handelingen binnen twaalf maanden (voor bedrijfsfusie 15 maanden) tot het moment dat de faciliteit terugwerkt, moeten zijn verricht.

De huidige bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat deze termijn niet wordt gehaald, wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020. Dit kan ertoe leiden dat de desbetreffende juridische handelingen niet met terugwerkende kracht geruisloos kunnen plaatsvinden.

Gelet op de bijzondere omstandigheden vindt de staatssecretaris dit niet redelijk.

Hij keurt daarom in het Besluit Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 22 april 2020 goed dat de inspecteur de termijnen voor de juridische fusie, de splitsing en de bedrijfsfusie met drie maanden verlengt wanneer deze termijn verstrijkt in de periode van 1 maart 2020 tot en met 31 mei 2020.

Overwerk en differentiatie WW-premie

Sinds 1 januari 2020 betalen werkgevers, onder de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab), een lage WW-premie voor vaste contracten en een hoge WW-premie voor flexibele contracten. In het verlengde daarvan is in het Besluit Wfsv opgenomen dat werkgevers met terugwerkende kracht alsnog de hoge WW-premie moeten afdragen voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt. Deze bepaling leidt nu tot onbedoelde effecten in sectoren waar vanwege het coronavirus veel extra overwerk nodig is, zoals de zorg.

In een brief van 22 april 2020 aan de Tweede Kamer is door Minister Koolmees en staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangekondigd dat de bepaling, dat voor vaste werknemers die in een kalenderjaar meer dan 30% hebben overgewerkt de hoge WW-premie moeten worden afdragen, daarom voor 2020 voor alle werkgevers wordt opgeschort.

Tegemoetkomingen kredietverlening

Verruiming van de Borgstelling MKB-kredieten (BMKB)

De financiering voor ondernemers via de speciale coronaregeling van de Borgstelling Midden- en Kleinbedrijf (BMKB) is verder versoepeld. De looptijd van een krediet is verlengd tot vier jaar, zodat ondernemers meer tijd hebben om deze terug te betalen. De toegang tot de BMKB is bovendien laagdrempeliger gemaakt. De benodigde uitgebreide liquiditeitsprognose kan worden vervangen door een omzettoets.

Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s)

De Regionale ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) verstrekken sinds eind april 2020 overbruggingskredieten aan non bancair gefinancierde mkb-bedrijven die hiervoor moeilijk bij de bank terecht kunnen.

Groeibedrijven kunnen sinds 29 april 2020 bij de ROM’s een aanvraag indienen voor een speciaal overbruggingskrediet, de zogenaamde Corona-Overbruggingslening (COL). De leningen die de ROM’s gaan verstrekken variëren tussen de € 50.000 en € 2 miljoen. Bij bedragen boven de € 250.000 wordt er 25% cofinanciering verwacht van de aandeelhouders of andere investeerders. Er wordt een uniform rentetarief gehanteerd van 3%. De ROM’s streven ernaar de beoordelingen van de aanvragen onder de € 500.000 af te handelen binnen vier tot negen werkdagen. Voor aanvragen boven de € 500.000 is het streven om binnen drie werkweken tot een definitief besluit te komen.

Klein Krediet Corona garantieregeling (KKC)

De Klein Krediet Corona (KKC) garantieregeling is specifiek bedoeld voor kleine ondernemers met een omzet vanaf € 50.000 die voor de coronacrisis voldoende winstgevend waren en die sinds 1 januari 2019 staan ingeschreven in het handelsregister.[10]
De KKC betekent dat deze ondernemers een lening kunnen aanvragen van minimaal

€ 10.000 en maximaal € 50.000. De looptijd is maximaal 5 jaar en de rente bedraagt maximaal 4%. Daarnaast betalen de ondernemers aan de staat een eenmalige premie van 2% als vergoeding.

Deze nieuwe garantieregeling bevat een overheidsgarantie van 95% op leningen van financiers aan bedrijven. Door dit hoge garantiepercentage kan een groot aantal ondernemers worden geholpen en kan het kredietbeoordelingsproces grotendeels geautomatiseerd plaatsvinden. 
De banken bieden de leningen met KKC-garantie aan. In ieder geval hebben Rabobank, ABN AMRO, ING, de Volksbank en Triodos toegezegd deze regeling aan te bieden. Andere financiers die geaccrediteerd zijn voor de BMKB-C mogen de regeling ook aanbieden. Overige financiers kunnen zich daarvoor bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) laten accrediteren. 

Een goede toetsing van de kredietaanvragen door de aanbieders van de regeling blijft volgens de Minister van Economische Zaken en Klimaat van belang. Bij de risicobeoordeling wordt zoveel mogelijk gewaarborgd dat alleen kredieten worden verstrekt aan in de kern gezonde bedrijven met terugbetaalcapaciteit. Het is ook in deze bijzondere situatie volgens de minister van belang dat banken ondernemers met gepaste zorgvuldigheid behandelen. De banken hebben onder meer aangegeven zich te houden aan de Gedragscode Kleinzakelijke kredietverlening.

De Europese Commissie moet de regeling nog goedkeuren. De daadwerkelijke inwerkingtreding en de vormgeving van de regeling zijn afhankelijk van de goedkeuring van de Europese Commissie. Het streven is dat de KKC uiterlijk half mei 2020 beschikbaar is.

Particulieren

De volgende maatregelen voor particulieren zijn nieuw dan wel aangepast:

  1. Compensatie eigen bijdrage kinderopvang.
  2. Besluit Betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld.
  3. Verlaging invorderingsrente en betalingskorting.

Compensatie eigen bijdrage kinderopvang

Aan ouders die gebruik maken van kinderopvang, is gevraagd de gehele factuur aan de kinderopvang te blijven betalen. Ook als zij op dit moment niet van kinderopvang gebruik kunnen maken. Hierdoor betalen zij een eigen bijdrage voor een dienst die nu noodgedwongen niet wordt geleverd.

Ouders die de factuur blijven doorbetalen, krijgen daarom de eigen bijdrage gecompenseerd. Dit geldt zowel voor kinderdagopvang, buitenschoolse opvang, als gastouderopvang.

Er is echter besloten dat de vergoeding in één bedrag door de SVB rechtstreeks aan de ouders wordt uitbetaald over de periode van 16 maart 2020 tot en met 28 april 2020. In een brief van 17 april 2020 aan de Tweede Kamer hebben staatssecretaris Van Ark van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en staatssecretaris van Huffelen van Financiën aangegeven dat de uitbetaling in de maand juni of uiterlijk juli plaatsvindt.[11] 
Op 21 april 2020 heeft de overheid echter besloten dat de basisscholen en de kinderopvang vanaf 11 mei 2020 weer opengaan op een aangepaste manier. De overheid heeft aangegeven dat zij de eigen bijdrage voor de kinderopvang blijft vergoeden aan ouders. Een einddatum is hierbij nog niet genoemd. De eenmalige uitkering zal derhalve betrekking hebben op een langere periode. De uitbetaling zal dan ook mogelijk pas op een later moment plaatsvinden.

Besluit Betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld

De staatssecretaris geeft in het Besluit Betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld

Van 6 mei 2020 belastingplichtigen, die als gevolg van de coronacrisis tijdelijk niet in staat zijn om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, de mogelijkheid tot een betaalpauze in de aflossing en de rentebetaling op hun eigenwoninglening die is afgesloten sinds 1 januari 2013. Met dit besluit blijft de eigenwoningschuld in box 1 en daarmee de eigenwoningrente (voor zover deze is betaald) aftrekbaar.[12]

In het besluit wordt uitgegaan van een betaalpauze voor de eigenwoningschuld van maximaal zes maanden. In die periode wordt er geen (of minder) rente en aflossing betaald ter zake van de hypotheek. De ‘achterstallige’ annuïteiten moeten op enig moment wel alsnog worden voldaan.

Betaalpauze bij een administratieplichtige (zoals een bank)

De belastingplichtige, die die zich tussen 12 maart 2020 en 30 juni 2020 meldt of heeft gemeld bij een kredietverstrekker die kwalificeert als administratieplichtige (artikel 52 lid 2 AWR), en met deze kredietverstrekker in verband met dreigende betalingsproblemen door het coronavirus een betaalpauze overeenkomt van maximaal zes maanden kan gebruik maken van dit besluit. De betaalpauze moet uiterlijk op 1 juli 2020 ingaan en schriftelijk worden bevestigd.

Betaalpauze bij een niet-administratieplichtige (zoals ouders of een eigen bv)

Voor een betaalpauze bij een niet-administratieplichtige gelden dezelfde voorwaarden als bij administratieplichtigen. Daarnaast moet ook aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  1. De belastingplichtige heeft als gevolg van de uitbraak van het coronavirus een terugval in arbeidsinkomen, bedoeld in artikel 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001, van ten minste 20% over een periode van drie aaneengesloten kalendermaanden of verwacht deze redelijkerwijs te hebben, waarbij:
    1. De periode van drie aaneengesloten kalendermaanden moet aanvangen in het tijdvak vanaf 1 maart 2020 tot en met 1 juli 2020;
    1. Om te bepalen of sprake is van een terugval van ten minste 20% wordt het arbeidsinkomen uit de periode onder a vergeleken met:
      1. ¼ deel van het totale arbeidsinkomen over 2019; of
      1. het arbeidsinkomen in het tijdvak 1 januari 2020 tot en met 31 maart 2020.
  2. De belastingplichtige moet aannemelijk kunnen maken dat hij aan alle voorwaarden voldoet, waarbij voor voorwaarde 1 geldt dat de belastingplichtige de terugval aannemelijk moet kunnen maken op basis van een reële schatting of al beschikbare gegevens.

Arbeidsinkomsten

Onder arbeidsinkomen wordt verstaan het gezamenlijke bedrag van wat door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden (artikel 8.1 lid 1 onderdeel e Wet IB 2001).

Aflossingsafspraken met behoud van eigenwoningrente-aftrek

  1. Na zes maanden een nieuw aflossingsschema

Na afloop van de uitstelperiode van maximaal zes maanden kan een nieuw annuïtair schema worden vastgesteld op basis waarvan het inhalen van de aflossingsachterstand wordt uitgesmeerd over de resterende looptijd (van maximaal 360 maanden) van de lening. Dit moet schriftelijk gebeuren. Het nieuwe aflossingsschema is gebaseerd op de omvang van de schuld overeenkomstig het oorspronkelijk overeengekomen lopende aflossingsschema op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van het nieuwe aflossingsschema verhoogd met de aflossingsachterstand als gevolg van de betaalpauze.

Het nieuwe aflossingsschema moet zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze worden overeengekomen en ingaan (rekening houdend met administratieve mogelijkheden). Het nieuwe aflossingsschema moet uiterlijk op 1 januari 2022 ingaan.

  • Splitsen van resterende lening en achterstand

Het is ook mogelijk de resterende lening te splitsen in een lening waarbij voor de resterende hoofdsom zonder rekening te houden met de aflossingsachterstand het bestaande annuïtaire schema van toepassing blijft en een lening waarbij voor het deel van de aflossingsachterstand een afzonderlijke (hypothecaire) lening met een eigen annuïtair schema wordt afgesloten waarbij de looptijd maximaal gelijk is aan de resterende looptijd van de oorspronkelijke hoofdsom. Afhankelijk van de draagkracht van de klant kan voor deze lening ook een kortere looptijd gelden.

Als toetsmoment geldt in dit geval de dag waarop de betaalpauze afloopt.

Het nieuwe aflosschema moet voor het nieuwe deel zo snel mogelijk na afloop van de betaalpauze worden overeengekomen en ingaan (rekening houdend met administratieve mogelijkheden). Het nieuwe aflossingsschema moet uiterlijk op 1 januari 2022 ingaan.

Voorbeeld uit het besluit

Een belastingplichtige heeft een eigenwoningschuld van na 1 januari 2013. Door de uitbraak van het coronavirus komt hij in betalingsproblemen. Hij komt met zijn bank een betaalpauze van zes maanden overeen ingaande op 1 juli 2020. Stel dat de schuld op basis van het oude aflossingsschema op 31 december 2020

€ 114.000 had moeten zijn. Door de betaalpauze is de schuld € 117.000. De aflossingsachterstand is derhalve € 3.000. Door de goedkeuring mag direct na afloop van de betaalpauze per 1 januari 2021 de resterende schuld van € 117.000 worden gesplitst in het oude deel van € 114.000, waarvoor het oorspronkelijke aflosschema wordt voortgezet en in een nieuw deel van € 3.000 (aflossingsachterstand). Voor dit nieuwe deel wordt een nieuw aflossingsschema overeengekomen met maximaal dezelfde resterende looptijd. Beide schulden blijven behoren tot de eigenwoningschuld en de aflossingsachterstand moet worden ingehaald binnen maximaal de resterende looptijd.

Eigenwoningrente

Als er geen rente wordt betaald, is er ook niets aftrekbaar (artikel 3.147 Wet IB 2001). Als het feitelijke betalingsmoment pas in een later jaar (bijvoorbeeld 2021) ligt, is de rente ook pas in dat latere jaar (2021) aftrekbaar. De rente is alleen in 2020 aftrekbaar als:

  • Deze rente alsnog (na de betaalpauze) in 2020 wordt betaald, óf
  • Deze rente in 2020 is verrekend, ter beschikking is gesteld of rentedragend is geworden.

Het besluit van de staatssecretaris gaat in het kader van de aftrekbaarheid in op een drietal aspecten:

  1. Er moet sprake zijn van een beschikkingshandeling van de geldverstrekker waaruit blijkt dat het bedrag van de verschuldigde rente vaststaat en dat dit bedrag rentedragend schuldig wordt gebleven.
  2. Er moet rente in rekening worden gebracht.
  3. Er moet reële zekerheid bestaan dat de verschuldigde rente ook feitelijk zal worden betaald om het nominale bedrag van de verschuldigde rente in aftrek te kunnen brengen.

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat uit de leningsovereenkomst moet blijken dat bij achterstallige aflossingen rente in rekening kan worden gebracht en tijdens de adempauze (onder vermelding van hoogte percentage of bedrag) ook gebeurt. Daarbij kan het rentepercentage 0% zijn.

De Belastingdienst neemt bij aspect 3 aan dat voor schulden bij administratieve instellingen aan het derde aspect is voldaan. Voor schulden bij een ander dan een aangewezen administratieplichtige moet de belastingplichtige aannemelijk maken dat aan het derde aspect wordt voldaan.

Verlaging invorderingsrente en betalingskorting

De invorderingsrente die normaal gesproken ingaat na het verstrijken van de betalingstermijn is vanaf 23 maart 2020 tijdelijk verlaagd van 4% naar 0,01%. Dit geldt voor alle belastingschulden.

Omdat de invorderingsrente is gekoppeld aan de betalingskorting bij betaling ineens van een voorlopige belastingaanslag inkomstenbelasting is de verlaging van het rentepercentage niet alleen begunstigend. Voor de betalingskorting wordt namelijk hetzelfde wettelijke percentage gebruikt als voor de invorderingsrente, waardoor de verlaging tot gevolg zou hebben dat particulieren nagenoeg geen aanspraak meer kunnen maken op de betalingskorting.

Particulieren die menen hiervan nadeel te ondervinden, kunnen bezwaar maken, waarna de betalingskorting alsnog zal worden toegekend. Daarnaast wordt de te vergoeden invorderingsrente, ten gunste van burgers en bedrijven, op het bestaande niveau van 4% gehouden.

Aankondiging 20 mei 2020

Op 20 mei 2020 is door het kabinet het noodpakket 2.0 aangekondigd.

De NOW

De NOW wordt met vier maanden verlengd (openstelling per 6 juli 2020). Werkgevers met tenminste 20% verwacht omzetverlies, kunnen voor over de periode tot 1 oktober 2020 een NOW-subsidie aanvragen. De omzetdaling wordt vastgesteld over een viermaandsperiode (start op 1 juni, 1 juli, 1 augustus of 1 september 2020).

De referentiemaand voor de loonsom is maart 2020 (peildatum 15 mei 2020). De forfaitaire opslag voor aanvullende lasten en kosten wordt 40%.

De tweede NOW-tranche volgt verder de systematiek van de eerste tranche. De maximale uitkering is de uitkomst van:

%geschatte omzetdaling x loonsom maart 2020 x 4 x (100% + 40% toeslag) x 90%

Bij gebruik van de tweede NOW-tranche mag over 2020 en 2021 geen dividend of bonussen worden uitgekeerd of eigen aandelen worden ingekocht.

Verder is er een inspanningsverplichting voor werkgevers om hun werknemers te stimuleren om aan bij- of omscholing te doen.

Bij de afrekening wordt de tweede NOW-tranche voor ontslagaanvragen nog maar voor 100% gecorrigeerd. Bij grotere ontslagaanvragen in het kader van de Wet Melding Collectief Ontslag (ontslag om bedrijfseconomische redenen 20 of meer werknemers) zal een korting van 5% van de uiteindelijke NOW-subsidie worden opgelegd, tenzij er een akkoord over de ontslagaanvraag is bereikt tussen de werkgever en de belanghebbende vakbonden, de (C)OR of de Stichting van de Arbeid.

Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB
De sectoren die onder de huidige Togs vallen komen in aanmerking voor de nieuwe regeling ‘Tegemoetkoming Vaste Lasten MKB’. Deze bedrijven krijgen maximaal € 50.000 voor vier maanden. Voorwaarde is een omzetverlies van minstens 30%. De tegemoetkoming is vrijgesteld van belastingheffing.

Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 2)
De Tozo wordt eenmalig met vier maanden verlengd (Tozo 2). Voor Tozo 2 geldt een partnerinkomenstoets. Om een snelle uitvoering te waarborgen wordt een verklaring gevraagd van de ondernemer en diens partner dat er sprake is van een situatie waarin het huishoudinkomen onder het sociaal minimum terecht is gekomen als gevolg van de coronacrisis.

Zelfstandig ondernemers kunnen ook weer een rentedragende lening bij hun gemeente afsluiten van maximaal € 10.157. Er is een verklaring nodig dat er geen sprake is van surseance van betaling of faillissement.

Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten (TOFA)

De TOFA is bedoeld voor werknemers met een flexibel contract, die door de coronacrisis (bijna) geen inkomsten hebben en geen uitkering kunnen krijgen. De voorwaarden zijn

  • Per 1 april 2020 minimaal 18 jaar en nog niet de AOW-leeftijd bereikt.
  • Het sv-loon over februari 2020 was minimaal € 400, maart 2020 minimaal € 1, en april 2020 maximaal € 550.
  • Het sv-loon over april 2020 was minimaal 50% lager dan dat over februari 2020.
  • Geen uitkering of andere tegemoetkoming in april 2020.

Uitstel van belastingbetaling

Het uitstel van belastingbetaling is verlengd tot 1 oktober 2020. Voor uitstel langer dan drie maanden moet een ondernemer verklaren geen dividenden en bonussen te zullen uitkeren, of eigen aandelen te zullen inkopen.

Tenslotte

In deze bijdrage is een – niet uitputtende – reeks van maatregelen besproken die helpen om de economische en financiële pijn van de coronacrisis te verlagen. Naast deze maatregelen zijn er nog vele andere. Bovendien worden de maatregelen regelmatig aangepast en aangevuld om de maatregelen efficiënter te maken of om niet bedoelde effecten te ondervangen.

Houdt dus de ontwikkelingen goed in de gaten.


[1] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.5.

[2] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 3.1.

[3] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 3.3.3.

[5] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.2.

[6] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 6.4.

[7] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 6.2.

[8] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html.

[9] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.

[10] Staatssecretaris van Financiën: Fiscale tegemoetkomingen naar aanleiding van de coronacrisis; (Besluit noodmaatregelen coronacrisis) van 6 mei 2020: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26066.html, onderdeel 8.3.

[11] Besluit regelende een tegemoetkoming voor de eigen bijdrage van de ouder in de kosten voor

kinderopvang in verband met COVID-19 (Tijdelijke tegemoetkomingsregeling KO): https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-932275

[12] Besluit van 8 mei 2020, betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26069.html

[12] Besluit van 8 mei 2020, betaalpauze voor rente en aflossing eigenwoningschuld, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2020-26069.html